J.V.L.
Dichter van dienst: Joke van Leeuwen

Ik heb een uurtje vooraf afgesproken met de begrafenisondernemer. We moeten nog een aantal zaken overlopen, over hoe het zou zijn; een Eenzame Uitvaart, hoe de dichters het best hun gedicht konden bijdragen, en ook belangrijk: hoeveel uitvaarten er zogenaamd eenzaam zijn.
‘Toch zeker vijf à zes per maand,’ zegt hij; ‘maar de ene maand hebben we er twee, de andere zes.’ Ik moet slikken en bedenk dat het getal dicht bij de vijftig komt die het OCMW van Antwerpen als ruwe schatting opgaf. De begrafenisondernemer loopt springerig door zijn kantoor en steekt nog een sigaret op. Ik vertel hem dat ik bij wijze van voorbereiding het eerste seizoen van Six Feet Under heb gezien, de Amerikaanse serie over een nogal eigenaardige familie begrafenisondernemers die nog steeds worstelen met de dood én het leven, waarmee ze elke dag geconfronteerd worden. Hij moet hard lachen.

Ik laat hem de handgeschreven brief lezen die ik eerder die week per post kreeg. Frans F. bericht daarin over een gewezen collega van hem en tevens familie van Fidel Castro; de oude zeeman Rodolfo Mendez. Rodolfo woonde op een klein appartementje op Linkeroever maar in 2004 kreeg Frans de verjaardagswensen die hij voor Mendez opgestuurd had terug. Rodolfo bleek door een gaslek in zijn kamer langzaam en pijnlijk gestorven te zijn. Op zijn begrafenis waren twee buren aanwezig. Rodolfo was een eenzaat. Fans schreef voor het graf van Rodolfo het gedicht ‘Schoonselhof U 38’: “Rodolfo Quevodo Mendez, maat, / alleen twee zeelui bij je grenenkist: / een Griekse en een Hondurese buur”, waarbij Frans in zijn brief wenst dat het gedicht zijn laatste rustplaats kent in het project ‘de Eenzame Uitvaart’.

De begrafenisondernemer vouwt de brief weer dicht en lijkt overtuigd te zijn van het nut van de Eenzame Uitvaart.
‘Mijn neef runt een dierencrematorium,’ zegt hij; ‘daar worden de dieren soms met meer egard behandeld. We spreken nog steeds over mènsen.’ We zijn allemaal nabestaanden, ook van wie we bij het leven vergeten zijn. Zijn secretaresse brengt een derde tas koffie en we beginnen over de eerste eenzame uitvaart. De ceremoniemeester Bert wordt erbij gehaald, hij leidt steeds de dienst in het auditorium van het begrafeniscentrum.

‘Meestal verzorgen we een kerkelijke dienst, tenzij in de laatste wilsbeschikking een bezwaar wordt gevonden. Nu, de dienst is erg sober. Er worden een paar teksten voorgedragen en we groeten,’ zegt Bert.
‘Vaak is de persoon dan al gecremeerd, zodat de urne na de dienst naar de begraafplaats wordt gebracht om te worden uitgestrooid,’ vervolgt de begrafenisondernemer. Bert vindt ons idee om bij elke Eenzame Uitvaart een dichter een persoonlijk gedicht te laten schrijven, erg mooi. Hij stelt voor om in de toekomst de dichter aan het woord te laten in de dienst .

Dan is het tijd om ons naar Schoonselhof te begeven om de eerste Eenzame Uitvaart te verzorgen. Ik heb om kwart voor twee aan de parking van het crematorium met Joke van Leeuwen afgesproken, die het eerste uitvaartgedicht wilde schrijven. Eerder die week kreeg ik melding van de begrafenisondernemer van het overlijden van J.V.L, toevallig dezelfde initialen als Joke. De begrafenisondernemer wist erg weinig te vertellen over J.V.L. dus moest ik naar het rusthuis telefoneren waar ze de laatste jaren heeft doorgebracht. Na enkele wachtmuziekjes wordt ik doorverbonden met de persoonlijke verpleegster die me enkele karaktertrekken en anekdotes kan vertellen. Het voelt raar aan om door de telefoon het leven van een onbekende te overlopen, even lijkt het alsof ik haar al jaren ken.

Michaël Vandebril en Joke van Leeuwen staan al op de parking te wachten, als we met de auto het domein opdraaien. We schudden handen en overlopen nog even hoe de eerste uitvaart zal verlopen. Dan rijdt de lange grijze auto voor, waarna we er in een mager rijtje achter lopen. De dragers hebben hun zwarte slipjassen aan en vouwen de handen op de rug. Hoewel het maar de tweede strooiweide is, lijkt de dreef erg lang. Er steekt een felle wind op waardoor we allemaal bijna buigend achter de kist lopen, tot we aan de juiste strooiweide komen. De wagen stopt, waarna de urne in stilte naar de strooiweide wordt gedragen, om daar op een sokkeltje te worden gezet. Hun gebaren verraden routine, hoewel ze verzekerden dat het ook ver hen steeds een integere uitvaart is. Een van de dragers fluistert dat het de geschikte moment is voor het gedicht. Joke gaat aan de urne staan, en de rest schuifelt dichterbij zodat de harde wind ons niet belet om haar woorden te horen. Ze moet het papier waarop het gedicht staat stevig vasthouden.

Voor JVL

U heeft geleefd, uw voeten zijn gegroeid,
raakten de aarde aan, tot ze verbaasd om
wat niet wilde op de plankjes van de rolstoel
bleven staan. Uw handen tastten naar uw tas
waarin uw wereld en uw zakdoek zat,
uw ogen naar de man die ooit dichtbij u was,
naar wie u hielpen, naar het licht dat u begroette.

Waar u nu ook mag zijn waar u niet bent,
we zullen weten dat u heeft geleefd en liefgehad
en dat daar de gordijnen open moeten.

Na het voorlezen vouwt Joke van Leeuwen het papier op en één voor één groeten we een laatste keer J.V.L. Eén van de uitvaartmedewerkers orchestreert ons in een rijtje langs de weide, waarna de drager de assen uitstrooit. De wind doet onze ogen prikken. Aan de overzijde van de weide zie ik dat een andere uitvaart in gang wordt gezet. Het is een dubbelzinnig contrast tussen de stoet van dertig mensen die achter de wagen wandelen, en het rijtje van zes die een Eenzame Uitvaart verzorgen. Wanneer de drager met de lege urne terugkeert lijkt het alsof de wind even een korte opstoot krijgt, het stof uit het gras tilt. In stilte wandelen we terug.

Voor gedicht: Joke van Leeuwen
Voor verslag: Maarten Inghels