F.T. is op 21 februari 1928 geboren en thuis overleden op 3 augustus 2009. Dichter van dienst was Jan Aelberts.

Nadat een vorige uitvaart, waarvoor ik al een dichter had ingeschakeld, toch geen eenzame uitvaart zou worden, op het laatste moment dook er gelukkig nog familie op, was er nu meer zekerheid. Meneer F.T. werd door de politie aangetroffen in zijn woning waarna de buren verklaarden dat het een eenzaat betrof. Ongehuwd, geen kinderen. Iemand die nooit bezoek kreeg.

Na het weekend zou meneer begraven worden op begraafplaats Schoonselhof, in de middag, kreeg ik per mail van de begrafenisondernemer aan. Er dook een probleem op omdat ik enkele uren later op die dag een vliegtuig had te nemen in Charleroi. Ik zou het nooit halen, aangezien men al wekenlang de versmalling van de E19 Antwerpen-Brussel aankondigde, en bijhorende files op de alternatieve route: de lelijke Boomsesteenweg met zijn ontelbare stoplichten. Na enkele telefoons en mails kom ik met de begrafenisondernemer overeen de uitvaart te vervroegen naar half tien in de ochtend. Omdat dit nog maar de tweede uitvaart is die we verzorgen, en er nog wat smeer in de communicatie met het uitvaartcentrum moet komen, wil ik geen verstek geven. Dichter Jan Aelberts antwoordt bevestigend op de vraag dat weekend nog een gedicht te schrijven voor F.T. Er zijn weinig tot geen gegevens bekend.

De avond voor de uitvaart slaat het weer om. De aanhoudende hittegolf van die week krijgt een regenachtig karakter dat niet zal stoppen tot ik op het vliegtuig zal stappen. Als ik na een onrustig nacht hondsvroeg opsta lijkt het gestopt te zijn met miezeren, maar het weer blijft grijs. Op tram 24 richting Schoonselhof is het verdacht rustig. Snel wissel ik nog wat tekstberichtjes met Aelberts die vanuit Gent de trein naar Antwerpen nam. Ik schrijf dat hij best in het station van Berchem afstapt en een taxi naar de begraafplaats neemt. De doden huizen een heel eind buiten de stad.

Nadat Jan de taxi-chauffeur betaald heeft, we gelijktijdig sigaretten opsteken, ik even met de begrafenisondernemer heb getelefoneerd, blijkt dat we aan de verkeerde ingang van Schoonselhof staan. Die van het crematorium, en naar de andere ingang waar de begrafenis doorgaat is toch een kwartier loopafstand. Daar aangekomen blijkt de kleine stoet al onderweg te zijn naar perk U. Uitgeteld en genoeg gejogd voor een week kan ik de begrafenismedewerker teken doen dat we er zijn, en op zijn beurt gaat hij in een drafje naar het graf en maant de graver tot stoppen. Die wilde net de kuil gaan dichtgooien.

Met drie staan we aan de voet van het graf. De begrafenisondernemer met zijn mooie zwarte pak, mantel en dito stropdas, doet teken dat we een laatste groet aan meneer F.T. kunnen brengen. Naast de kuil die gelijkmatig rechthoekig is afgegraven ligt een grote hoop zand, waarin naast de schop ook al het bruine kruisje staat. ‘F.T. 2009’ staat er in het wit op geschilderd. Geen geboortejaar. Jan leest zijn lange gedicht voor, met ietwat trillende stem en met gebogen hoofden luisteren we:

Voor F.T. (1928 – 2009)

Hij bestaat niet meer zoals hij eerst bestond, blauw doorbloed
kortademig en met open mond kwijlde hij zijn vuisten nat, bereid
om ze te heffen voor een koningsdroom, een heldendaad zoals
het eerste lopen dichter bij bestormen staat dan alle andere dagen.

Om hem heen verslikken jongens zich in hun jeugd, happen landen
koortsig naar oorlog, breken alle kalveren hun poten van extase
aan de voet van hun overgave. Ze branden langzaam op tot wolken.

Maar alles dooft ook weer. Elk woord laat zich zonder verzet
vervangen door zwijgzaamheid en zinderende straatlantaarns.
En in het canvas van de televisie dansen de jongens verder in kleur.

Ook dat is vrede.

Dan pas staat de eenzaat op met gebalde vuisten, als een reus
gewapend met stilte en een verbeten glimlach tussen de kaken.
Ergens halverwege de scherpte van een polaroid volgt hij de goten,
bestaat hij zomaar, zonder reclame voor bereikbaarheid,

altijd en overal. Als een slaaplied voor het ontbreken
kruipen twee gebalde vuisten tegen zijn lichaam aan.

Ook dat volstaat.

Nu kan je naar eigen geloof de laatste groet brengen, suggereerde de uitvaartmedewerker, aarde op de kist werpen behoort ook tot de opties. Hij stelt de lichte buiging voor, een beweging die hij voordoet door een lange knik te maken met zijn hoofd en het bovenlichaam mee te laten hangen. Daarna loop ik naar de berg aarde en steek mijn hand tot aan de pols erin. Een doffe klap van het zand op de kist van een goedkoop model volgt. De kist is redelijk smal vanonder en breed vanboven. Gouden bouten op het deksel.

Wanneer we uit perk U komen staat de bejaardenhelpster ons op te wachten. Ze is met haar kleine autootje gekomen dat staat te blinken naast de lange slee van het uitvaartcentrum. Zij heeft meneer T. jarenlang aan huis verzorgd. Toen ze van het OCMW vernam dat meneer overleden was, wist ze dat niemand aanwezig zou zijn, dus kwam zij maar. Ze vertelt dat F.T. werd gevonden met de kat liggend op zijn buik, die twee wilden geen afscheid nemen. Lang geleden had de verzorgster beloofd een goede thuis voor zijn dierbare poes te zoeken wanneer hij er niet meer zou zijn. Zij had de kat nu in huis genomen.

‘Een mooi verhaal,’ zeg ik tegen Jan, langs de brede lanen op weg naar de tramhalte. ‘Dat had je kunnen verwerken in je gedicht.’ Een grote reiger vliegt over.
‘Als we het vroeger hadden geweten,’ antwoordt Jan.
De bejaardenverzorgster rijdt ons in haar kleine autootje voorbij en wuift even. Zwijgend wandelen we verder.

Voor gedicht: Jan Aelberts
Voor verslag: Maarten Inghels