J.K. is op 27 september 1955 geboren te Mayen (Duitsland) en overleden op Linkeroever op 15 september 2009.
Dichter van dienst was Maarten Inghels.

Mijn knalgele fiets sorteer ik in de daarvoor voorziene strook naast de Sint-Andrieskerk. Voor de hoofdingang staat het busje van de ondernemer, het kofferdeksel staat als een grote mond open, en de vier dragers staan erbij te kijken en te roken. Ik zie dat ik de eerste ben, de aanwezigheid van de koster buiten beschouwing gelaten – een gezette vrouw die met de talloze kerksleutels in haar hand rammelt. De meegebrachte chrysant zet ik naast het trapportaal zodat ik de handen vrij heb om ook een sigaret te rollen.


Het waren 107 woorden in de krant, beginnend met: “De politie van Antwerpen kreeg dinsdag rond 8 uur een oproep binnen over een lijk aan het Frederiek Van Eedenplein op linkeroever. (…) Het slachtoffer, een 53-jarige Duitser, lag tussen enkele banken. Hij was al enkele weken dakloos.” Dat bericht stond ergens weggedrukt in een kolommetje, regionaal nieuws, waar er plek vrij was. De ondernemer nam twee dagen later contact met me op.

Paula van Kamiano komt aangestapt en begroet me hartelijk. Kamiano, een initiatief van de Sint-Egidiusgemeenschap, is een vaste waarde in het leven van wie in Antwerpen op straat moet leven. Op woensdag en zaterdag verzorgen ze een maaltijd voor de armsten en de zwaksten die in de stad leven. Vrij snel nadat ik had toegezegd om voor meneer K. het gedicht te schrijven nam Kamiano contact met me op. Zij hadden J.K. nog goed gekend, iemand die regelmatig kwam eten, en onder de daklozen werd gewaardeerd om zijn hulpvaardigheid en charme. Je kon hem haast iedere dag op de Groenplaats vinden waar hij de laatste jaren veel vrienden heeft weten sterven. Kamiano verzorgt een kerkelijke dienst in de Sint-Andrieskerk vlakbij de Groenplaats en het leek me onzinnig om me plots terug te trekken dus, spraken we af, zou ik het gedicht alsnog voorlezen op begraafplaats Schoonselhof waar de sympathiserende daklozen zonder hulp niet geraakten. Meneer K. had nog familie, waaronder twee zonen, in Duitsland wonen maar zij lieten weten niet aanwezig te zullen zijn. Bloemen zouden door hen worden besteld. Kamiano sloot de mail af met ‘daklozen worden niet oud.’

Één voor een druppelen enkele vrienden van J.K. de kerk binnen. Hubert, een van de beste vrienden, is er. Een vrouw met vier zakken klimt de trappen op met een boodschappenwagentje achter haar aan, de wieltjes tikken bij elke trede tegen het beton. Ze gaat helemaal achteraan zitten. Een andere man neemt met zijn digitaal toestel nog gauw enkele foto’s van het bonte gezelschap dat in de linkerbeuk zit. Na drie scherpe flitsen duwt hij het toestel in Hubert’s handen, gaat zelf weer zitten en orchestreert Hubert in positie om een foto van hem te nemen. Paula fluistert me in de rechterbeuk toe dat hij zoveel mogelijk uitvaarten bezoekt. Ik hoor het digitale piepje en een flits weerkaatst in de hoge gewelven. De vier vrouwen van Kamiano zetten bij het binnendragen van de kist het intredelied in, waarna psalm 23 wordt gezongen: “Voorspoed en zegen verlaten mij nooit, elke dag van het leven.” Naast de foto van meneer K. en mijn chrysant zijn er geen bloemen aangekomen om op de kist te leggen. De afscheidsviering wordt afgesloten met een kleine tien mensen. Tijdens de dienst zijn nog enkele mensen binnen gesukkeld.

Hubert rijdt mee in de auto van Paula. Door een ongeval in de Nationaalstraat zijn we onverwacht eerder op Schoonselhof dan de dragers die eerder waren vertrokken. De kleine stoet rijdt door naar perk U waarna de kist naar de kuil wordt gedragen. Één van de dragers zet nog een gebed in, Hubert begint te snikken en ik draag mijn gedicht voor:

AFSTAND

Voor J.K. (1955-2009)

Er was u misschien het verkeerde deel
van de aarde toebedeeld, u had uw huis
vast met andere ramen voorgesteld maar

uiteindelijk gaat alle leven om een afstand:
de lap vlees tussen twee ogen, de pendelende
pas van land tot land, het gekruip van de dood
over het plein dat te weinig hoeken kent.

Niet de honderdenzeven woorden in de krant,
niet het reizende volk dat u vandaag eert,
niet alle bezoek maakt het verschil,
evenmin dit gedicht.

Misschien deed uw charmant accent
het wel werd mij verteld, of was u
het mooist met uw schaterlach die
de roest tussen de gewrichten weg wast.

Het laatste ommetje bracht u op
een andere oever vanwaar u naar
het water staarde, eventueel
een nieuwe comfortzone zocht.

Maar de knapste afstand was toch deze:
onberoerd liet uw geslenter niet.

In de auto terug vertelt Paula over meneer K. die binnenschipper was geweest. Over de vaart als metafoor voor de vrijheid, en hoe ongelukkig binnenschippers zich kunnen voelen aan wal. Hoe meneer K. die bewuste avond op zijn eentje naar Linkeroever trok, op een bankje ging zitten en waarschijnlijk naar de Schelde keek.

Voor gedicht en verslag: Maarten Inghels