M.V.d.B. is op 5 september 1936 geboren te Hamont en in het Sint-Vincentiusziekenhuis te Antwerpen overleden op 23 januari 2010. M.V.d.B. werd begraven op donderdag 4 februari 2010 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Ik zie de buurvrouw in het huis naast mij wel eens televisie kijken. Dat doet ze meestal de hele dag door. Ze kijkt naar alle herhalingen van elke middelmatige soap, en neemt er de vertoningen van enkele saaie middagfilms nog bij. Zelden komt er bezoek. Dat het kon gebeuren, dat één van mijn vele buren eenzaam oud werd, om tenslotte onopgemerkt te sterven, was niet ondenkbaar.
Meneer V.d.B. woonde in een troosteloos, grijs, appartement boven een ouderwetse kapperszaak in de straat die dwars op de mijne ligt. Ik kom er elke dag haast zeker twee maal voorbij gefietst of gewandeld. Nooit keek ik hoger op dan het interieur en het lelijke meubilair op de gelijkvloers – dat iemand er zijn haar had laten kappen had ik nog nooit gezien. Meneer V.d.B. kocht vast zijn brood bij onze bekende bakker op de hoek, de straathoek die we deelden, die onze twee straten met zijn pistolets en croissants verbindt. Het is eveneens perfect mogelijk dat ik achter hem in de rij stond bij het boodschappen doen in de Aldi-winkel. Dat we elk een krant kochten, maar samen de krantenzaak verlieten waarbij de een de deur voor de ander openhield, dat onze blikken kruisten.
Maar geen van dit alles verandert iets aan het jammerlijke einde van meneer V.d.B. die onwel werd en op het laatst in het ziekenhuis moest verblijven. Daar is hij op zaterdag 23 januari overleden. Het Sociaal Centrum Oever gaf de opdracht tot begrafenis, aangezien het ziekenhuispersoneel geen familie vond. Het wordt me niet meteen duidelijk wie me nog iets over meneer V.d.B. kan vertellen. Wanneer ik op maandagochtend, om negen uur in de ochtend stipt, het Sociaal Centrum Oever bel antwoordt een meisje in gebrekkig Nederlands: ‘Ik niets weet, ik niets weet’. Nadat ik de reden van mijn telefoontje nog eens vermeldt, voert ze meneer V.d.B. zijn naam in de computer waarna ze het telefoonnummer van een ander Sociaal Centrum dicteert. M.V.d.B. behoorde immers strikt genomen niet tot hun district en dus moest ik maar bij de juiste diensten aankloppen. Wanneer ik om tien na negen het andere Sociaal Centrum opbel verklaren ze beslist dat ik terug bij Sociaal Centrum Oever moet zijn, want ‘meneer was immers door iemand van Sociaal Centrum Oever ingevoerd in de computer’, zagen ze.

Sociaal Centrum Oever heeft nu iemand anders aan het onthaal zitten, en ik word snel doorverbonden met Tatiana die de dood van M.V.d.B. heeft verwerkt. Meneer behoorde inderdaad niet tot hun district, vertelt ze, maar was bij leven helemaal geen vaste klant. Maar omdat na zijn overlijden geen familie werd gevonden, schakelde het ziekenhuis het OCMW in die de uitvaart verzorgt. Het Sociaal Centrum had nog naar familieleden gezocht, maar niet direct gevonden.
Kortom, niemand wist ons iets over meneer V.d.B. te vertellen. We dragen alleen zijn naam bij ons, als Stijn Vranken en ik begraafplaats Schoonselhof betreden. Daar staat een wagen met vijf inzittenden te wachten op de uitvaartondernemer en de vier dragers. Deze keer is Bert er met zijn eigen kleine autootje weer bij. We stellen ons voor aan wat familie blijkt te zijn.
‘Nog een broer en twee zussen,’ zegt de man die uitstapt en ons de hand schudt. ‘Ik ben de neef, en mijn vrouw is er nog bij.’
‘Goed dat jullie er nog bij konden zijn,’ zeg ik, zo wordt het toch niet helemaal een eenzame uitvaart.
‘M. wilde al tweeëndertig jaar geen contact meer met ons,’ vervolgt de man. ‘Wij hadden al talloze pogingen ondernomen.’
We zwijgen.
‘Wij hebben verschillende keren geprobeerd. In al die jaren. Maar hij wilde niet.’
We spreken nogmaals ons genoegen uit over hun komst, en of het goed is dat we alsnog het gedicht voor M. voordragen, aangezien er gewag werd gemaakt van een eenzame uitvaart en hun komst niets veranderd aan onze intentie om ons respect te betuigen aan meneer V.d.B.
De neef knikt instemmend; ‘Wij kunnen niet zeggen hier met veel genegenheid te staan. Wij komen uit respect, maar tweeëndertig jaar is lang.’

Even later staan we met zeven rond de kist. De ceremonieleidster benadrukt nogmaals het belang van een laatste groet te brengen, op de manier die ons het beste lijkt. Enkelen in het gezelschap raken de kist aan, anderen buigen licht hun hoofd of zeggen een laatste woord. Maar niet vooraleer Stijn zijn gedicht voor M.V.d.B. heeft voorgedragen:

EN VERDER
Voor M.V.d.B. (1936-2010)

Zoals de stilte hier staat, netjes en gepast
tussen hemel en aarde, zo stamelde zij jaren
door je kamer. Althans dat dacht ik
alvast wat onhandig om je naam heen.

En verder? Vroeg ik.
Niets. O ja, en ook: Niemand.

Zoals wij hier staan, ongepast in onszelf.
Het had niet dunner gekund. Zelfs de dood
vindt hier niet veel aan. Alleen het vel
moet nog geruimd.

Zo wankelt het woord aan de einder.
Te laat als nooit tevoren.

Op de terugweg in tram 24 zie ik de volgende lijkwagen richting de begraafplaats rijden. Je kan jezelf alleen maar gerust stellen met de woorden van Reve: ‘Het is dan toch niet onopgemerkt gebleven’.