R.P. is op 23 februari 1945 geboren te Vilvoorde en in ziekenhuis St-Vincentius overleden op 10 juli 2010. R.P. werd begraven op donderdag 22 juli 2010 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Jan Aelberts.

Voor meneer R.P. heb ik me niet meer kunnen scheren. Het schoot er van tussen de laatste dagen, zoals gewoonlijk, en in de ochtend was er geen moment om het apparaat in de hand te nemen. Net voor de uitvaart was er nog net de tijd om een nette broek aan te trekken, een grijze kostuumbroek met een plooi, en er kon nog een wit hem glad gestreken worden. Met een nonchalante baard moest het dan maar, aan het graf. Met een nette broek en dito hemd, maar met de zomerse wildgroei in het aangezicht. Dat zou meneer R.P. vast niet erg vinden.

In het laatste stukje met tram 24, met eindhalte Schoonselhof, heb ik de bloemenwinkels voor het uitkiezen. Het wordt ‘Van Den Nieuwenhof’, waar er drie plantenpotjes met paarse bloemen in een plastic draagtasje gaan. Als een purperen lijkwade, bedenk ik.
‘Moeten ze eigenlijk veel water,’ vraag ik wanneer het briefje van twintig van eigenaar wisselt.
‘Met dit weer, in de hoogzomer,’ antwoordt de vriendelijke bloemiste. ‘Met dit weer toch elke avond.’
‘Maar het is voor op een graf,’ zeg ik. ‘Dus erg veel water zullen ze bij dit weer nooit krijgen.’
‘Daar is geen enkele plant tegen bestand,’ zegt ze.
‘Heide?’ vraag ik.
‘Zelfs heide redt het niet.’ Waarop ze het wisselgeld in mijn uitgestoken hand legt: ‘Dat is dan twee plus twee euro, plus tien, en dat is dan twintig euro geweest.’
‘Twintig euro geweest’, hoor ik terwijl ik de veertien euro in mijn hand natel. Hoeveel dagen zullen de bloemen het uithouden, voor wat het is geweest?

Als ik op het bankje aan de ingang van begraafplaats Schoonselhof wacht op de dichter Jan Aelberts en de uitvaartondernemer, zie ik op het grasveldje aan de overkant van de brede laan de mysterieuze trage dans van drie moslims die hun middaggebed uitvoeren richting Mekka. Voor ze starten drapeert één van hen zijn jasje over het gras, hij weet dat daar straks zijn knieën op moeten, waarna de drie zwarte mannen in een driehoekige formatie met hun neuzen één kant op gaan staan. De man die zijn jasje heeft opgeofferd staat vooraan en neemt het voortouw waarna de andere twee in één beweging volgen, weliswaar met enkele seconden vertraging. Ze buigen, vouwen de handen, gaan door de knieën, maken de foetushouding, raken met het voorhoofd de grond en komen weer recht. Wanneer de man van het jasje aan een tweede ronde begint, staan de achterste twee mannen al enkele seconden extra achter.

Als de derde gebedsronde ingaat komt Jan langs de poort binnen, samen met een stoet wagens. Elke wagen voert afhankelijk van de capaciteit vier of zes moslims mee. Het zijn uitstekende carpoolers bij een uitvaart, blijkt. Als laatste volgt de lijkwagen met een onleesbare Arabische handelsnaam op. Er wordt wat heen-en-weer getoeterd en geroepen waarna de karavaan van wagens naar het juiste perk trekt.

Niet veel later rijdt onze uitvaartondernemer ook de oprijlaan op. Jan en ik krijgen een ritje met de bestelwagen en de wagen waar meneer R.P. in ligt volgt in ons kielzog. Als we perk R naderen zien we het samentroepen van de bonte stoet, hoewel er geen consistentie lijkt te bestaan in het verloop van hun uitvaart. Terwijl we wachten op de vierde drager bekijken we het schouwspel. Iemand loopt te bellen, een ander morrelt wat aan het portier van zijn wagen, en her en der klitten kleine groepjes mensen samen, terwijl de meerderheid rond het graf staat gegroepeerd. Er is geen vrouw te bespeuren.

De vierde drager lijkt niet op te dagen, er wordt even geopperd iemand van de andere uitvaart aan te spreken om te helpen dragen, maar dan wordt een rolwagentje gevonden op grasveld van perk R. Eens de kist door de drie mannen op het karretje is getild, moet het alleen nog maar over de pad van betonnen platen worden gerold, tot aan de kuil. Wanneer de kist daar op schragen wordt geplaatst, kan de uitvaart alvast van start gaan, waarna zij zouden wachten op de vierde man om de kist van meneer R.P. in het graf te laten zakken.

Uiteindelijk hoeft het helemaal niet omslachtig te verlopen, net als Jan zijn gedicht wil aanheffen komt er een graver van de stad aan en hij zal na de korte dienst wel even helpen heffen. De drie potjes met bloemen komen nog op de kist te staan, waarna we een teken krijgen om ons laatste saluut te brengen:

En dan?

Misschien richtte u, in uw laatste dagen
zonder genade een waterpistool
tot uw mond, haalde u de trekker over,
zei u: ‘hout moet drogen voor het brandt.’

We hebben geen idee. Misschien
lagen uw handen al dor geworden,
opgeborgen in dat nieuwe land
van lakens, vertakten ze zich
tot vogelkooien, tot onbewoonbaar
verklaarde daken. En misschien
bewaakte achter het raam de zomer
het lichtzinnige theater, het bloed,
de kindermonden, pleisters.

Alles wat we van u weten ligt begraven,
alles wat u zegt is dat we niks voorkomen,
we de lippen vochtig houden
tot de dood en dan?

We groeten meneer R.P., en dan gaat het snel, met vier dragers. De kist verdwijnt in het gat van de aarde en we wandelen langs het padje terug naar de wagens. Aan de boom voor het praalgraf van Hendrik Conscience nemen we afscheid, we slaan de lift met de bestelwagen naar de hoofdingang af, we lopen wel, dat is gezond, het is mooi weer, we hebben jonge benen.

‘Onder de boom vond ik laatst nog vijftig cent,’ zegt één van de dragers. ‘Fijn dat ze hier tegenwoordig ons drinkgeld achter laten.’
In ‘De Leuvenaar’, de stamkroeg van de Eenzame Uitvaart aan de hoofdingang van begraafplaats Schoonselhof, heffen Jan en ik het glas op meneer R.P. Een witte hond die doof geboren is, en een zwarte poedel bewaken onze benen.