A.D.S. is op 28 november 1946 geboren te Sao Vicente, Kaapverdische eilanden en overleden in zijn woonst te Antwerpen op 30 september 2010. A.D.S. werd begraven op maandag 11 oktober 2010 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Andy Fierens.

Sao Vicente, het eiland waarop meneer A.D.S. het leven zag, is 227 vierkante kilometer groot. Of hij lang op het eiland met zijn kleurrijke huisjes, de internationale haven Porto Grande en de enige vlieghaven van Kaapverdië is gebleven, weten we niet. Als gelukzoeker is hij van het eiland gevlucht, als je geen visser bent is er waarschijnlijk weinig om handen. Misschien nam meneer A.D.S. lang geleden de boot naar Portugal, of eerst de catamaran naar een naburig eiland, misschien heeft hij nog gewacht op de uitbreiding van de luchthaven, op de verlenging van de startbaan die internationale vluchten mogelijk maakte. We weten erg weinig over meneer A.D.S., de politie trof hem in zijn woonst aan, de televisie flikkerde nog, wat voor programma aan stond weten we niet.

Dichter van dienst, Andy Fierens, zal in het weekend voor de uitvaart langs meneer D.S. zijn appartement fietsen. De eerste poging mislukt, Andy heeft zich van huisnummer vergist en staat in de lange troosteloze straat, die een verbindingsas vormt tussen de ring en het hart van Antwerpen, aan de verkeerde kant. We telefoneren even en overleggen. In het leegstaande, vervallen gebouw, kan meneer D.S. onmogelijk gewoond hebben, of het zou in erbarmelijke omstandigheden geweest zijn. Het misverstand is snel verholpen, bij een tweede poging vindt Andy Fierens zo’n honderd huisnummers verder de juiste appartementsblok aan de kant van de ring, aan de rand van de stad. Bij toeval ontmoet Andy de onderbuur die meneer D.S. heeft gevonden, of beter, de hulpdiensten heeft ingeschakeld.

‘De onderbuur rook een vreemde geur in de trappenhal,’ vertelt Andy aan de telefoon. ‘De geur was het sterkst aan de deur van A.D.S., waarna de buur de politie heeft gecontacteerd.’ Die troffen meneer D.S. aan voor de televisie die nog aanstond, de geur was blijkbaar niet te harden. ‘De onderbuur is toevallig vrijwilliger in het naburig ziekenhuis en heeft navraag gedaan hoe lang het duurt eer een lijk zulks een penetrante geur vrijgeeft,’ gaat Andy verder aan de telefoon. ‘Twee tot drie weken, verklaarde men.’ De onderbuur had blijkbaar ook nog aan de politie gevraagd of het om een oud model van televisie ging, want dat er dan een riant brandgevaar was, als het toestel drie weken was blijven spelen. ‘Er kwam wel af en toe nog iemand langs volgens de onderbuur,’ vertelt Andy. ‘Maar de afgelopen weken had men niemand aan zijn deur gezien.’ De officiële datum van overlijden is de dag dat men meneer D.S. heeft aangetroffen in zijn woonst, eigenlijk heeft hij drie weken minder lang geleefd.

Nog geen twee uur na de eenzame uitvaart van meneer M.N.P. die ochtend, ontmoeten Andy en ik de dragers opnieuw aan de ingang van begraafplaats Schoonselhof, in een al iets warmere herfstzon. Deze keer wachten we niet lang aan de middendreef die het park in twee splijt, maar volgen we stapvoets de lijkwagen die aan dertig kilometer per uur het traject naar perk U aflegt. Ik zie de metalen houdertjes die aan de zijkanten van de wagen zijn bevestigd, bestemd voor vlaggetjes om de wagen te versieren, om iemand te eren met twee kleine lapjes stof, en wil vragen wanneer of wie gebruik maakt van de optie ‘met vlaggetjes’, maar houd mijn mond. Toch komt er een conversatie op gang tussen de uitvaartmedewerker en mij, niet over zijn nakende vakantie, niet over de herfstkoude die in onze botten kruipt, maar over het feit dat meneer D.S. drie weken in zijn appartement lag zonder dat iemand hem vond.

‘De geur kan je niet ontkennen, het is te specifiek’ zegt hij. ‘Als je zo iemand gaat ophalen blijft de penetrante reuk nog een dag in je neus zitten, het kruipt in je kleding, in alles. Je krijgt het niet weg.’ Hij vertelt dat hij gestopt is, met in zulke gevallen de mensen op te halen, enkel in noodgevallen wil hij nog wel eens iemand afleggen, maar voor nu is het genoeg geweest. In het geval van meneer D.S., antwoord ik, had men toch had kunnen opmerken dat het niet zomaar om een paar vuilniszakken in de trappenhal betrof, dat men toch onraad had moeten ruiken, als de geur zo specifiek was.

‘Tja,’ antwoordt hij.

Ik vraag wat er met meneer D.S. zijn appartement zal gebeuren, waar gaan zijn persoonlijke spullen naartoe? Wie komt er nog in? Wie is zijn laatste bezoek?

‘Gespecialiseerde firma’s komen dit in opdracht van de politie leeghalen. In zulke gevallen gaat alles naar de vuilnisbelt, omwille van de geur,’ verklaart hij. ‘De persoonlijke spullen worden waarschijnlijk door de politie in beslag genomen, die verder zoeken naar nabestaanden.’ Ik stel mij voor dat meneer D.S. waarschijnlijk enkele souvenirs van zijn leven had, een foto op de schouw van een verre vriend, of misschien een postkaart van Kaapverdië. Dat er enkele vreemde mannen in schoonmaakpak zijn appartement zullen ontsmetten, zijn fauteuils wegbrengen, zijn persoonlijke herinneringen in een zuurvrije archiefdoos steken.

Als onze kleine formatie het perk heeft bereikt, blijkt dat er maar drie dragers zijn en wordt de kist op het karretje het perk op geduwd. Bij elk contact dat de vier kleine wieltjes van het karretje met de betonnen blokken maakt, die het pad naar perk vormen, krijgt de kist een kleine tik. Het gevaarte is moeilijk te bedienen door alle schokken, maar we geraken toch aan de kuil waar de kist nog even op schragen wordt gezet voor onze korte dienst. De purperen heide staat al klaar en Andy krijgt teken meteen over te gaan op het voordragen van het gedicht voor meneer D.S.

A. D. S. (1946 – 2010)

met een naam zo mysterieus en warm
stond je lotsbestemming in de sterren:
ontdekkingsreiziger, van zuid naar noord.

als lava uitgespuwd door de krater
in o Porto Grande of van São Pedro
opgestegen naar een beter leven.

jij, fiere nazaat van avonturiers en slaven.
van bovenwinds eiland naar Europa en
vastgelopen aan de rand van een stadsader.

‘s nachts blinkt het raam, je uitkijkpost bij
de plek waar je gevonden werd in het licht
van de tv die in al zijn talen de stilte brak.

bij zonsopgang herkent men de contouren
van een gezicht in de Monte Cara. daar zal
ik je groeten, aan de voet een muntstuk laten

voor de overtocht.

We groeten en nemen afscheid van de dragers. ‘Ik vind het toch het allermooist als de kist met de overledene naar het graf wordt gedragen door vier dragers,’ zeg ik. ‘Dat hij op iemand zijn schouders wordt weggedragen.’ De drager knikt instemmend.

Voor gedicht: Andy Fierens
Voor verslag: Maarten Inghels