L.L. is op 9 augustus 1938 geboren te Kapellen en overleed in zijn woonst te Antwerpen op 11 februari 2011. Meneer L.L. werd begraven op maandag 21 februari 2011 op begraafplaats Schoonselhof. L.L. laat een echtgenoot na die lijdt aan dementie
Dichter van dienst was Jan Aelberts.

‘Vrouw (72) 3 weken opgesloten bij lijk van haar man’ kopte de voorpagina van de Gazet van Antwerpen op 15 februari. Ik stond in een broodjeszaak en bladerde door naar pagina 2 waar het achtergrondverhaal de volledige pagina kreeg. De vrouw leed aan dementie en heeft meer dan drie weken opgesloten gezeten bij het lichaam van haar overleden man in hun appartement. Bij het artikel stond een grote foto van het appartementsgebouw, opnieuw één van de grote sociale woonblokken die men in de rand van Antwerpen vindt. Op dat moment vermoedde ik niet dat het om een eenzame uitvaart zou gaan, er was immers nog zijn vrouw, die volgens de krant Celine heette, en in het nieuwsitem in het Nieuws van die avond kwamen ook enkele getuigenissen van bezorgde buren aan het woord.

Toch kreeg ik enkele dagen later een mailtje van de uitvaartondernemer dat meneer L.L., door de buren kortweg Lou genoemd, een burgerlijke begraving kreeg dankzij tussenkomst van het OCMW. In het mailtje heette zijn vrouw plots niet meer Celine maar krijgt ze een andere naam toebedeeld. Ik informeerde of zijn echtgenote, ondanks haar ziekte, de begrafenis niet ging bijwonen en of niemand zich had aangediend als nabestaanden, maar het antwoord was kort en bondig; niemand had interesse getoond op de uitvaart aanwezig te zijn. Naderhand werd het ook wel duidelijk dat iemand die door haar vergevorderde dementie niet merkt dat haar man al drie weken dood was, ook niet het besef of de noodzaak zal hebben te rouwen aan het graf. Ik vraag me af waar de echtgenote met de twee namen nu naartoe is, wat er nog in haar hoofd spookt, of ze in een helder moment nog aan Lou kan denken.

Uit het archief diep ik het artikel uit de krant weer op. Men ontdekte het tragische verhaal door de ongeruste buren die de deur van het appartement hadden ingebeukt. Ze hadden eerder al ’s nachts geklop gehoord maar beseften niet dat de vrouw op die manier de aandacht probeerde te trekken. Voor de televisiecamera getuigt een buur dat hij eerder al eens was gaan aanbellen bij meneer Lou maar dat hij mevrouw had horen roepen dat ze de deur niet open kreeg. De buurman dacht daardoor dat alles in orde was en voegde eraan toe dat Lou de enige was waartegen hij nog eens praatte bij het ledigen van de brievenbus. Dat mevrouw het appartement niet kon verlaten had voornamelijk te maken met het speciale slot waarmee de buitendeur was uitgerust, dat moest verhinderen dat de demente vrouw wegliep. Het parket werd ingeschakeld en het labo kwam ter plaatse maar niets wees op kwaad opzet, zei de woordvoerder. Het gaat om een tragische gebeurtenis, benadrukte hij.

Men vraagt zich af hoe de vrouw kon overleven, in die laatste weken. Het rolwagentje vol boodschappen stond onaangeroerd in de gang, en niets wees erop dat mevrouw had gegeten. Bij aankomst in het appartement besefte ze niet wat er aan de hand was en sprak ze over een pop die in de slaapkamer lag, zonder te beseffen dat het haar echtgenoot was die naast het bed lag. Na de getuigenissen van de buren schakelt de nieuwslezer over naar een gelijkaardig tragisch verhaal in Antwerpen uit het verleden, dat van Nguyen Van Kham, waarbij de organisatie Familiehulp in enkele seconden mag vaststellen dat de vereenzaming in onze maatschappij sterk toeneemt.

Ik stuur een berichtje naar Jan Aelberts en vraag of hij beschikbaar is om een passend gedicht voor meneer L.L. te schrijven. Later zal ik hem nog de artikels die over meneer L.L. zijn verschenen doorsturen en eraan toevoegen dat Lou zijn enige hobby en vrije tijd het herstellen van oude computers was. Maar voornamelijk stond hij in voor de verzorging van zijn vrouw, ze waren onafscheidelijk. Die oude computers stonden verzameld in de kelderruimte van het appartementsgebouw, maar dieven stalen een week na de lugubere vondst de inboedel.

Na het aankopen van drie plantjes witte heide wandel ik begraafplaats Schoonselhof op waar reeds een busje van de uitvaartondernemer stationair draait. Twee dragers warmen zich in de wagen op, ze knikken naar mij. Op het busje staat een fleurige rode roos geschilderd. Ik ben een half uur te vroeg maar algauw draait het rode autootje van Bert het park op en mag bij hem in de wagen wachten op het lijk, zegt hij.

‘Ik mag toch lijk zeggen’, vraagt hij. ‘Sommigen vinden dat misschien oneerbiedig, maar zo heet het nu eenmaal.’ Enkele minuten later arriveert ook de lijkwagen en is het wachten op Jan, die liet weten dat hij vertraging had met de trein. Bert vertelt over de tijd voordat hij als gepensioneerde ceremoniemeester werd bij de uitvaartonderneming, hij was aangesloten bij de gebroeders Norbertijnen en later werkte hij in dienst van een parochie in Antwerpen bij een priester die nu wordt getipt als nieuwe bisschop.

‘Hij werkt in de lijn van aartsbisschop Léonard,’ zegt Bert. ‘Iets waar ik minder voeling mee heb.’

‘Conservatief,’ merk ik op.

‘Behoudsgezind,’ zegt hij. ‘Liever zeggen we behoudsgezind.’

Op het radiootje in de wagen zie ik dat Jan om 13u58 arriveert. ‘Perfect op tijd,’ zegt Bert. We laten hem instappen en rijden naar het perk. Bij de ronde punten die overal zijn aangelegd op begraafplaats Schoonselhof zal Bert zich aan de verkeersregels houden, belooft hij, en tegen de wijzers van de klok in rijden. Zo geeft hij aan de lijkwagen een kans om ons in te halen en voorop te laten rijden, maar de lijkwagen blijft ondanks onze geste achter onze auto rijden.

Als we aankomen bij het perk wordt de kist op vier schouders naar het graf gedragen en op schragen gezet. Bert doet teken dat Jan zijn gedicht mag voordragen:

Ze sprak van een pop in de slaapkamer, een enkele reis
naar de kindertijd. Het besef dreef weg als een flatgebouw
tussen de wolken. De schaduw van een eerste parachutist
viel over de stad. Hij liet uw lichaam koud.

De eerste twintig dagen werd niemand gered.
Er werd geleefd als in een poppenhuis waar niemand sterft
en iedereen slaapt, waar iedereen kan ontwaken
bij monde van de hoop, een profeet aan slappe koorden.

Ze heeft geklopt op de muren tot u
gevonden werd, bij haar. Het stond later in de krant.
Ze sprak van een pop in de slaapkamer, een enkele reis.

Het is muisstil op het kerkhof en er waait een snijdende koude wind tegen onze hoofden. Het weerbericht voorspelt dat dit de laatste winterprik is, volgende week zou het lente worden. Bert doet teken dat we mogen groeten en doet het even voor. Daarna wordt de kist neergelaten en lijkt Bert even te zeggen dat we nogmaals het hoofd mogen komen buigen aan het graf, wat we uiteindelijk doen. Na afloop schudden we handen met de dragers, en schrijft Bert zijn telefoonnummer op een papiertje. ‘Dat kan altijd van pas komen,’ zegt hij. Op de keerzijde staan de details van zijn volgende uitvaart waar de dragers en Bert gehaast naar vertrekken, bij opmerkingen staat: ‘Licht klassieke muziek’. ‘Vivaldi’, merkt Jan op. De vier seizoenen.

Voor gedicht: Jan Aelberts
Voor verslag: Maarten Inghels