R.C. is op 12 maart 1929 geboren te Charleroi en overleden in Antwerpen op 29 augustus 2011. Meneer R.C. werd begraven op maandag 12 september 2011 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Veel niet

Vaag soms hoe het was, steeds
duidelijker nooit hoe het zal.

Veel weten wij niet.

Hoeveel waarvan en voor wie,
waarom en wanneer dan, wij,
toeschouwers van het onzichtbare,
verstokte bedenkers van de eeuwigheid.

Veel kunnen wij niet.

Enkele dagen dit lichaam besturen,
deze aarde bestaan, daarop al eens
de hemel beramen. En wachten, allemaal
samen apart in kamers op elkaar of iets.

Of niet. Veel niet.

Geloven, reddeloos, en ongehoord
ophouden.

 

Dit is een verslag van iets wat vooral niet gebeurd is.

Wat wel. Een ruime hoeveelheid wind stond op z’n plaats, ietwat voortvarende wolken dreven voorbij, en het wilde natuurlijk regenen, maar wist niet goed hoe hard. Een typisch Belgische voormiddag van het genre zozo.

Dan wij. Paraat. De vorm in z’n hemd. Beleefd en met respect en wat nog al. Links de kloeke dragers van de eeuwigheid in spaanderplaat, rechts de zwartgenagelde dichters van het laatste gat. Daartussen en tegen de wind in wachtend op zijn rol: ondergetekende, souffleur van de zoveelste stilte.
Figuranten rond een onbekende hoofdrolspeler. De hele slotscène duurde exact zeven minuten. Cut.

R.C. Tweeëntachtig jaar. Geboren in Charleroi, in eigen bed overleden te Antwerpen, Lange Lozanastraat. C. Een naam met West-Vlaamse roots, zo blijkt. Charleroi, West-Vlaanderen, er vallen probleemloos verhalen te verzinnen. Mij is het al eender. En dan natuurlijk Google Maps, sattelietbeeldmodus. Lange Lozanastraat nummer zoveel. Enter. Het levert zoals gewenst weinig op: het dak van een groot appartementsblok. Kamers op elkaar. Meer dan voldoende.
Ik had in de omgeving van zijn laatste woonplaats op zoek kunnen gaan naar meer sporen. Een café. Een kapper. Een bakker. Verhalen, vlekken. Ik heb het niet gedaan. Geen enkel behoefte aan de laatste roddelrandjes van iemands bestaan. Dit draait niet om zijn leven. Dit draait zelfs amper om zijn dood. Dit draait om de dood, in één van zijn meest grijnzende, door onszelf geschapen gedaantes. De tekst moet koud zijn, beslis ik alweer. Zacht, maar koud.

Misschien nog dit: op de bodem van de put lag een bedje van stro.

Voor verslag: Stijn Vranken, 12 september 2011