Mevrouw A.V.D. is geboren op 29 oktober 1919 en in RVT Vinck Heymans te Antwerpen overleden op 26 augustus 2011. Haar uitvaart vond plaats op 13 september 2011 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Jan Aelberts.

Elke uitvaart kent dezelfde aanloop; een telefoontje van Maarten, wat later een e-mail met een handvol gegevens, meestal twee datums en verder niet zoveel. Als je in één van die e-mails zo’n leven samengevat ziet is een zeker idee van troosteloosheid moeilijk te onderdrukken. Ook van mevrouw A.V.D. is weinig bekend. Ze zou ooit een café gehad hebben en ze lachte graag, maar wie niet.
Na zo’n e-mail volgt het schrijven van een gedicht, laat meestal, na het andere werk. De dag van de uitvaart neem ik steeds de trein in Gent, volgt een treinreis van 44 minuten en een tramrit van 18 minuten, waarna ik om 14u55 aankom bij het Schoonselhof. De laatste halte van tram 24. Ver moet je de symboliek in Antwerpen nooit zoeken. Er is een weg die me gevaarlijk lijkt en aan de overkant is er een enkel café, de Leuvenaar, dat weinig indruk op me maakt, maar waar bij gebrek aan alternatieven na afloop toch soms een glas gedronken werd. Dit keer niet, tenslotte is Maarten met vakantie. Daarmee is ook het aantal aanwezigen op de uitvaart gehalveerd. Dragers en gravers niet meegerekend, uiteraard.
De afwezigheid van Maarten maakt ook dat ik zelf een plantje meeneem uit Gent. De naam ervan ken ik niet, maar de bloemen zijn paars. Tussen Lokeren en Antwerpen-Zuid vraagt een vrouw van dertig – een schatting – naar de reden van dat plantje en ik vertel haar over de Eenzame Uitvaart en ze vindt het triest en mooi en wenst me veel succes. Vervolgens leest ze verder in een Dag Allemaal. Op de cover prijkt de baby van een wielrenner, een vrouw, ontevreden over haar maagring, en een dementerende Guido Horckmans.
‘Hoe is het met Guido Horckmans?’, vraag ik de vrouw.
‘Hij dementeert’, zegt ze.
Of hoe essentie en banaliteit elkaar kruisen. Ik besluit snel het gesprek. Even later stap ik af in Antwerpen-Zuid, waar tram 24 al op me wacht. De lucht is grijs, het is een dag van niks. Wanneer ik 18 minuten later het Schoonselhof betreed begroet de zoon van de begrafenisondernemer me. Hij is nog jong, maar duidelijk is al dat hij het bedrijf ooit zal overnemen. Hij houdt van de stiel. Terwijl we de wagen in statige passen volgen, hebben we het over uitvaarten op zee. Die vinden plaats voor de kust van Oostende, op een oude vissersboot. Het is een mooie ervaring, zegt hij, en het is jammer dat niet meer mensen ervoor kiezen. De zee, het lijkt me een uitstekend graf.
De ondernemer en zijn dragers, wat verderop vier gemeentelijke doodgravers, één ervan leunend op zijn spade en ik, we staan allemaal rond de kist van mevrouw A.V.D. Ik hoop dat ze een goed leven had. Vervolgens draag ik voor en buigen we. De kist wordt neergelaten en later toegedekt. Het naamloze plantje zal erbij worden gezet. Wanneer we het Schoonselhof verlaten breekt de zon door. Dat is vaker zo.

Hier stapelt geen mens nog blonde wolken,
dirigeert niemand een zwarte spreeuwendans,
hier barst geen lach los in de verte
die zich verspreidt over het land.

Hier is niemand die een vuist maakt
naar de hemel
of vloekend huiswaarts gaat.

Slechts de horizon gewassen
in een starre, grijze lucht.

En u

verbeeld als kist, vier dragers,
een stuk leven dat zich zo
nog één keer opricht in wat woorden
en zich dan tot grond bekeert.

Voor gedicht en verslag: Jan Aelberts