Meneer G.D. is op 6 november 1950 geboren te Antwerpen en daar thuis overleden op 1 februari 2012. Zijn uitvaart vond plaats op woensdagmiddag 15 februari 2012 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Maarten Inghels

Ik ben het verslag van eenzame uitvaart nr. 21 nog aan het uittikken als het mailtje van Renée binnenkomt met de boodschap dat de Firma volgende de week een nieuwe eenzame uitvaart zal verzorgen, op dinsdagmiddag 14 februari. Ik antwoord haar meteen dat ik zelf een gedicht zal schrijven voor meneer G.D., het was al een hele tijd geleden dat ik nog eens een uitvaart begeleidde met een gedicht, maar wanneer mijn mail met een woesh-geluidje in het mapje ‘verzonden berichten’ belandt realiseer ik me dat ik op 14 februari een optreden voor 400 leerlingen van een middelbare school zou verzorgen. Na een telefoontje en wat gekras in agenda’s komen we overeen de uitvaart te verlaten naar woensdag 15 februari, zelfde uur, zelfde plek.

Behalve dat meneer G.D. thuis was overleden zijn er verder geen gegevens bekend. Ik tik zijn straatnaam in op Google Street View en kan zijn huis in 3D bekijken, inzoomen op de brievenbus zonder de belettering te kunnen lezen. Voor de deur staat een fiets tegen een boompje en een lege kinderwagen. Er loopt niemand op straat. Het haalt eigenlijk niets uit; het adres opzoeken en de foto’s van de witte gevel bekijken want het huis ziet er in de realiteit toch altijd een tikkeltje anders uit – al was het maar omdat het een nieuw seizoen is en er een ander licht op schijnt.

Het huisje ligt in de Antwerpse buurt Schijnpoort, mij bijna geheel onbekend. Die ene keer buiten beschouwing gelaten dat ik met de bus door de buurt ben gereden en aan de tankstations na de brug getuige was van een staaltje verkeersagressie waarbij een kwade autobestuurder de bus staande hield en de ruitenwissers vernielde. Ik weet niet zo goed waar Schijnpoort begint of eindigt, maar ik neem tram twaalf bij het Coninckplein in Antwerpen Noord waarbij deze in een slingerbeweging via het Stuivenbergplein en sociale woonblokken naar Park Spoor Noord rijdt, het bruggetje onder de spoorweg neemt waar ik moet afstappen aan de twee tankstations.

Voor het rode tunneltje zie ik de uitvergrote prent van Suske en Wiske hangen die over de Schijnpoort handelt en thuisgekomen zal ik ontdekken wanneer ik voor het eerst iets over de wijk Schijnpoort heb gehoord. In het stripalbum ‘De 7 schaken’ komt de Schijnpoort voor als de buurt waar Willy Vandersteen school liep en het Stuivenbergplein als de plek waar hij is geboren. Als ik verder googel ontdek ik dat Station Antwerpen-Schijnpoort een goederenstation is en dat er een loods is met draaibanken en een wasstraat waarin passagierstreinen worden schoongemaakt om ze nadien om te vormen tot nieuwe treinen.

De dooi heeft zich ingezet en de straten zijn goed nat. Je moet al heel erg goed kijken waar er nog een plek ijs zit. De straat waar meneer G.D. heeft gewoond zit gekneld tussen de spoorweg en de Slachthuislaan, een soort van ongelukkig eilandje omgeven door tramlijnen, drukke verbindingswegen, tankstations en lelijke winkels met nutteloze prularia. Ik ben al op veel troosteloze plekken in de stad geweest maar dit straatje is in combinatie met de regen misschien wel het droevigste wat ik al heb gezien. Zijn huis is onderverdeeld in een 9A waar hij woonde en een 9B, elk met een deur en drie verdiepingen, zes kleine appartementen onder één dak.

Bij meneer G.D. moet ik niet aanbellen maar als ik voor zijn deur staat komt bij 9B een zwarte man buiten die ik aanspreek in de veronderstelling dat hij een buurman moet zijn. Het is moeilijk praten vanwege zijn gebrekkige kennis van het Nederlands maar als ik met gebaren uitleg dat meneer D. is overleden en ik een woordje zal uitleggen op zijn begrafenis knikt hij heftig en wijst naar het raam op de gelijkvloers van 9A. ‘Ja, dood, dead,’ zegt hij luid maar meer dan dat de buurman is overleden weet hij ook niet. Als ik met de combinatie ‘begrafenis, funeral, uitvaart’ mijn reden van bezoek tracht te verklaren, dat ik wil weten of iemand meneer D. goed gekend heeft, antwoordt hij enkel met ‘Dead, dood’. Pas als ik met enkele oneerbiedige armbewegingen het wat volgens mij universele beeld van aarde en een kuil is uitbeeld, begrijpt hij me en verwijst hij me door naar 9B waar de huisbaas schijnt te wonen. Hij belt drie maal voor me aan maar niemand doet open. De behulpzame buurman beaamt wat ik al begrepen had, de huisbaas is niet thuis of heeft geen zin in een praatje met één van zijn huurders, en zegt dan dat ik moet terugkomen.

Ik besluit in plaats van de tram te nemen naar huis te wandelen, altans een groot stuk daarvan. Langs Park Spoor Noord zie ik een eenzame jogger in de regen en de eindeloze treinen met containers. Meer dan de helft van de containers draagt het opschrift China Shipping, de andere met illustere afkortingen. Het geluid van de voorbijdenderende goederentreinen moet haast de hele dag door klinken. Thuisgekomen zoek ik het telefoonnummer van de huisbaas op in de Witte Gids maar ik vind het nergens.

Op de dag van de uitvaart van meneer G.D. regent het een hele dag en staat er een strakke wind. Met tram 24 aangekomen op Schoonselhof koop ik drie witte rozen bij één van de drie bloemenwinkels. Ik probeer elke keer af te wisselen van bloemist om het eerlijk te houden maar nu merk ik dat de drie rozen de helft goedkoper zijn dan bij de concurrent er naast. Ik vraag of er een cellofaantje rond kan maar de bloemiste vraagt of het bloemen zijn ‘om te leggen’. ‘Dan is het niet verstandig om voor cellofaan te kiezen aangezien ze dan door verstikking sneller stikken.’ Ik antwoord haar dat ze voor een ander papiertje mag kiezen waarna ze de bloemen haast vakkundig de nek omwringt door het papier tot een soort van waaier te vouwen en te nieten.

‘En dit is nog beter voor het milieu ook,’ zeg ik. ‘Zo zonder het plastic.’ Ik denk aan mijn tante die niet graag heeft dat je bloemen met aluminiumsnippers of cellofaantjes mee de kuil inwerpt, slecht voor de natuur, het vergaat niet, of moeilijk.

Op begraafplaats Schoonselhof is er al één corbillard, een gloednieuw model dat een beetje op de kruising tussen de pausmobiel en een uit de hand gelopen gezinswagen lijkt. Ze staan ter hoogte van het nieuwe perk W1 waar meneer D. zal worden begraven maar ze komen even aangereden om me in te lichten dat ze wachten op een tweede corbillard. ‘Deze heeft namelijk geen kist mee,’ zegt Dennis met het lange zwarte haar. Hij vraagt of ik een paraplu moet hebben maar die sla ik af. Ik wacht wel in het schuilhuisje op de tweede wagen.

De tweede corbillard blijkt ceremoniemeester Bert mee te vervoeren, wie ik een hartelijke hand schud, het is immers lang geleden dat hij er nog eens bij was, en de drager met het keurige witte baardje wiens naam ik niet meer wist vorige week. ‘Etienne,’ zegt hij. Etienne, prent ik me in, Etienne, niet meer vergeten. We delen paraplus met het logo van de Firma op aangezien het harder is gaan regenen, maar het is een heel gevecht ze recht te houden in de stevige wind. Bert wilt geen paraplu want hij heeft een hoed: ‘Een hoed uit Rome, gekregen van de paus.’ Later zal hij me het binnenwerk tonen waar in het Latijn het bewijs staat gedrukt.

‘Heel vreemd,’ zegt Etienne. ‘Als ik buiten moet zijn stopt het normaal gezien altijd met regenen. Ik heb twee hondjes en als ik die moet uitlaten stopt het meteen met regenen.’ Etienne is ondanks de regen die niet wil stoppen nu hij buiten staat in een vrolijke bui totdat we de corbillard die nog even een formulier bij de administratie moet gaan afgeven een vreemde route zien nemen. Etienne fulmineert vanop afstand tegen de chauffeur die ‘een nieuwe is en altijd zijn eigen goesting wil doen’, ook onder dragers bestaat er klaarblijkelijk een hierarchie. Wanneer de corbillard met de kist eindelijk aan komt rijden bij perk W1 slaat Etienne met het handvat tegen het koetswerk van de wagen. ‘Stoppen,’ roept Etienne. ‘Draaien!’

‘Meneer is een buitengewoon formaat,’ zegt hij tegen mij. ‘Boven de honderdvijftig kilogram.’ De nieuweling zal de corbillard achteruit het perk oprijden, zo dicht mogelijk bij de lijn graven. ‘Zover krijgen we hem niet getild.’ Zijn overgewicht is misschien een verklaring voor de jonge leeftijd waarop meneer D. stierf. Het gaat steeds harder regenen en na ingewikkelde manoeuvres op de drassige ondergrond krijgen ze de corbillard tot bij de graven. Dan is het nog even onderhands tillen met vijf dragers en een graver, zelfs Bert tilt mee, ondanks zijn versleten schouder. De kist is aanzienlijk breder en ook de gouden bouten en handvaten zijn massiever. Voor de kist op schragen met iedereen er wat verspreid rond, lees ik mijn gedicht voor meneer G.D. voor:

TOT ZOVER
Voor G.D. (1950 – 2012)

Tot zover zijn er niet meer gegevens
bekend dan uw naam, geen familie
waartegen u kon vertellen over de

eindeloze treinen van China Shipping,
het schaatsnieuws in uw laatste dagen.
Niemand om in s- of achtbanen omwegen

mee te maken tot de koude in uw botten
tocht, om foto’s te tonen van een snoepreisje
dat u ooit ondernam – ik gok aldoor.

Wat moet ik dan vertellen over wie
ik niet eerder heb ontmoet, een adres
dat ik nooit eerder bezocht. Stamelend,

zonder idee over wat uw ogen vochtig
hield, wie u troostend vast nam bij
wat de dooi nog boven water bracht.

Dus moet het maar met mijn schamele
smalltalk: de straat is weer ijsvrij, men
houdt uw gordijnen dicht, tot zover.

Mijn in vier gevouwen vel papier gaat mee het graf in en wordt onder een bout vast gezet. Dan is met een extra lint weer tillen geblazen om de kist uitgebalanceerd de kuil in te laten zakken. Ik bedenk dat ik laatste tijd te veel kisten heb zien zakken in een kuil natte aarde. De laatste twee maanden kan ik ze niet meer op één hand tellen en vanochtend kreeg ik opnieuw een sms’je dat berichtte over iemands dierbare die stierf. Dit tempo is moeilijk wennen.

Ik geef mijn paraplu terug aan Etienne en groet hem. Ik wijs hem op twee eenden die opvliegen, maar neen, het zijn niet de fazanten of patrijzen die hij hier miste. Hij vloekt en slaat met zijn paraplu weer op de wagen die de nieuweling stuurt. ‘Ze moeten het nog leren,’ zegt hij.

‘Ja,’ zeg ik. ‘We moeten het nog leren.’

Voor gedicht en verslag: Maarten Inghels