Mevrouw H. Mc I. is op 21 augustus 1936 geboren in Hilversum, Nederland en in Antwerpen overleden op 21 maart 2012. Haar uitvaart vond plaats op woensdagmiddag 11 april 2012 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Ik heb een afspraak met Stijn Vranken op de ochtend dat de Firma melding maakt van twee nieuwe eenzame uitvaarten, de week erop. Dat is handig, dan is de eerste alvast geregeld.
Mevrouw H. Mc I. heeft een ietwat vreemde naam dat vooral komt door het tussenvoegsel, de Mc, uit te spreken als Mac. Met de hulp van Wikipedia kom ik nog te weten dat Mc het Goidelische woord voor ‘zoon’ is en in veel Ierse en Schotse namen wordt het gebruikt als voorvoegsel, gevolgd door het genitief van de naam van een legendarische voorouder, en ik klik door op Goidelische en leer dat het zoveel betekent als Gaelisch, een subgroep van de Keltische talen, en zo klik ik door en door op de blauwe hyperlinks, want dat is het leuke aan Wikipedia, het doorklikken tot je steeds verder van je oorspronkelijke zoekterm verwijderd bent, maar je eigenlijk niets nieuws bijleert, toch zeker niet iets over mevrouw H. Mc I. en haar vermoedelijk legendarische voorouders.

Ook Google levert niets op, behalve een mevrouw H. Mc I. in het telefoonboek van Canada. Zou mevrouw H. Mc I. geweten hebben dat ze een naamgenoot had in Quebec? Met Google Maps vind ik een foto van het huis van mevrouw Mc. I., die ik doormail naar Stijn. Het huis heeft twee verdiepingen en een zolder, opgetrokken uit gele baksteen. De rolluiken voor het raam op de gelijkvloers zijn gesloten. Onder het raam zie je tralies voor het raam van de kelder, die half onder de grond zit en half boven de stoep uitsteekt.
Stijn mailt terug dat hij het een mooi huisje vindt. In werkelijkheid ziet het er echter een pak onverzorgder uit, merk ik wanneer ik mijn fiets tegen de tralies parkeer. De voordeur is verzegeld met een blauwe kleefband van de politie, zij hebben mevrouw gevonden. Op het plakkaatje op de bel staat boven de naam van mevrouw Mc I. een andere naam, ik vermoed van haar reeds overleden man, daar weten we niets over, er is opgegeven dat er geen familie bekend is, dat ze huisvrouw was, maar meer niet.
Met die gegevens moeten we het doen want niemand van de buren is thuis. Links van het huis zit de vzw van een theatergezelschap, rechts is een appartementsblok waar niemand van de bewoners gehoor geeft aan de bel.
Stijn zal later vertellen dat hij ontdekt heeft dat de naam van mevrouw Mc. I. van Ierse afkomst is, maar dat kan ver terug gaan want ze is geboren in Hilversum, Nederland.

Bij vertrek op woensdag 11 april is er een heldere hemel en schijnt de zon aangenaam, bij aankomst op Schoonselhof is de lucht donker overtrokken.
‘Het gaat onweren,’ zegt Stijn die haast gelijktijdig met mij de begraafplaats opkomt.
‘Ik hoop vanavond pas,’ antwoord ik. ‘Of toch wanneer we hier weer vertrokken zijn.’ Ik ben er niet op gekleed en heb alleen maar een vest aan, geen al te dunne, maar het blijft een vest waar je niet mee in de regen moet lopen.
‘Ik had je toch gemaild laarzen mee te nemen?’
Vanaf dan is het wachten op de dragers en de corbillard en ondertussen met argusogen de nakende onweerswolken volgend. Ze zijn later dan verwacht, de dragers. Er komt een klein wit autootje van het merk Smart aan, ik twijfel even of de bestuurder bij het gezelschap hoort aangezien hij niet het karakteristieke pak draagt met de stropdas waar het logo op staat gedrukt. Maar hij stapt uit en verwittigt ons dat de dragers te laat zijn, er is een file vermoedt hij, een ongeval op de Ring, heeft hij op de radio gehoord.
‘Als daar een ongeval gebeurt, ligt alles plat,’ zegt hij.
Pas om twintig na twee draait de corbillard de begraafplaats op terwijl het normaal gezien om kwart voor twee verzamelen geblazen is.
‘De tweede wagen met dragers komt er nog aan,’ zegt de man zonder zonder kostuum van de Firma. Hij vloekt op de laatkomers, dat ze er binnen vijf minuten gingen zijn maar nu al een kwartier verstreken is. ‘We zullen al achter de corbillard lopen naar het perk.’
Daar zijn we snel, heel snel. Het nieuwe, tweede, perk W1 ligt veel dichter bij de ingang van de begraafplaats. Tot voor kort moesten we een hele weg te voet afleggen naar perk U aan de andere kant, meestal zwijgend in de stinkende gassen van de uitlaat, maar steeds een wandeling die deugd deed omdat het de uitvaart wat rekte, anders altijd zo kort. Heel af en toe mochten we meerijden in het kleine gele wagentje van ceremonieleider Bert, maar die is er nu niet bij en de laatste keer dat ik hem zag vertelde hij dat zijn wagen het begeven had, voorgoed.
Bij perk W1 is het weer een tijd wachten op de tweede wagen, dat duurt weer een hele tijd. Het is ondertussen al bijna half drie en het begint zacht te druppelen. Ik denk aan de tweede eenzame uitvaart die om drie uur is gepland, dat wordt haasten straks, en het gaat allemaal al zo verdomd snel. De tweede wagen komt er aan en voor ik het weet staat de kist al op vier schouders en doet men teken te volgen naar de pas gegraven kuil, waar nog eens twee gravers van de stad staan te wachten.
De kist staat op schragen, mijn plantje gaat uit het witte plastic zakje en zet ik op het hout. Een onbestemde soort, geel van kleur omdat het Paastijd is. Het is kleurrijker dan verwacht in het troosteloze decor van eenvoudige kist, bruine modderaarde, donkere hemel, bijna zwart.


Voor H. Mc I.
° Hilversum NL 21/8/1936, + Antwerpen 21/3/2012

En je wil wijzen naar zijn thuiskomst
maar dat lukt niet, je ziet alleen de hand
die je hem schonk aan het einde van je arm.

En je vraagt je hand: ‘Wat nu?’
En hij legt zich op je schouder, in je schoot,
op de tafel.

En wijst naar jou. En telt, traag, tot één.
Het is tijd, denk je. Al weet je maar al te goed
niet precies waarvoor.

En je doet teken aan het raam: ‘Ik kom eraan.’
En je wijst jezelf weg, want je weet
niet goed waarheen.

Dus je blijft zitten. En gaat.

We buigen en dan giet het plots. We stappen gehaast over de betonnen platen het perk uit en krijgen van één van de dragers twee paraplu’s met het logo van de Firma op.
‘Die krijg je zo meteen terug,’ zeg ik. ‘Om drie uur ben ik er weer.’
‘Met meneer hier,’ antwoordt hij, Stijn aanwijzend. De poule van dichters blijft soms vreemd voor hen, de wisselende stoet van dichters die om de beurt aantreden.
‘Neen, om drie uur is er een andere dichter, met een ander gedicht.’
Dan trekt de wind hard aan de paraplu’s. De regen valt met bakken uit de lucht en ik kan niet beletten dat mijn vestje nat wordt, niet veel, maar toch. Aan de uitgang nemen Stijn en ik gehaast afscheid. Ik wil in De Leuvenaar iets drinken en opwarmen, maar op woensdag is het café gesloten.

Voor gedicht: Stijn Vranken
Voor verslag: Maarten Inghels