Meneer J.V.d.H. is op 29 juni 1924 geboren in Mechelen en in Borgerhout overleden op 11 maart 2012. Zijn uitvaart vond plaats op woensdagmiddag 11 april 2012 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Joke van Leeuwen.

Soms vraag ik me af of ik niet minder onwillekeurig te werk moet gaan in de keuze van een dichter voor een eenzame uitvaart. Dat ik aan de hand van de domiciliering van de onfortuinlijke eenzame er een dichter aan verbind die in hetzelfde district woont. Dat ik buren van ze maak. Punten op de kaart met elkaar verbind.
Maar dat lukt niet altijd. De dichter die ik eerst opbelde voor de tweede eenzame uitvaart van woensdag 11 april plant met de kinderen weg te zijn, het is Paasvakantie. Dan Joke van Leeuwen proberen, die om een halve dag vraagt om haar planning te bekijken, en dan antwoordt dat ze een gedicht kan en wil schrijven.
Het is enigszins treurig dat meerdere eenzame uitvaarten in één week meestal op één dag worden geplaatst, net na elkaar, als een rijtje dozen dat begraven moet, bandwerk. Ik heb even de tijd nodig om zo’n uitvaart te laten bezinken, me weer ergens aan op te warmen, maar zo zal het deze keer niet gaan.

Nadat ik vruchteloos de buren van mevrouw H. Mc I. voor eenzame uitvaart nr. 23 probeerde te bereiken, neem ik nu de tram naar Borgerhout, richting het huis van meneer J.V.d.H. Hij woonde buiten de ring, in de buurt van een park en een halte waar tram elf stopt, die ik ook vlakbij huis kan nemen. Vooraf had ik reeds een foto van het huis op Google Maps gezocht en ik zag een appartement, drie hoog, waarbij ik vermoedde dat hij de gelijkvloers bewoonde omdat er geen busnummer was meegedeeld. De netjes ommuurde voortuin zou ik echter nooit te zien krijgen want de tram houdt reeds halte op de Rooseveltplaats waarna de chauffeur via de intercom meedeelt dat hij en de tram niet verder rijden, alsook zijn collega’s, gelieve uit te stappen, een reden wordt niet gegeven.
Ik besluit de volgende dag opnieuw te proberen maar dan komt er iets tussen en op zondag is het Pasen, dan kan ik de buren toch niet lastig vallen. Die buren houden niet van onverwachte gebeurtenissen, gok ik. Ze hebben een straatcomité dat een wijziging in het verkeersplan van hun straat probeert te verhinderen, iets met een blokkade tegen sluipverkeer. Op krantenwebsites vind ik enkele artikels waar ze allemaal samen op de foto gaan, met verontwaardigde gezichten. Ik zoom in op het groepsportret, misschien kan ik meneer J.v.D.H. spotten.
Op maandag heb ik onverwacht veel werk, gaat het ook niet om langs te gaan en voor je het weet is het dinsdag, de dag voor de uitvaart en vraag ik Joke of het lukt. Ook zo werkt het, antwoordt ze, ik heb iets. Het hoeft niet echt dat ik nog langs ga, ze heeft al iets geschreven op basis van de foto, de naam en de mededeling dat het een ‘teraardebestelling’ is.

Het is opnieuw droog als ik voor een tweede maal de begraafplaats opstap en Joke begroet die komt aangestapt. Er staat een wagen klaar waarin vier mensen zitten die niet van de Firma zijn.
‘Mijn vader woonde boven hem,’ zegt de bestuurder die uitstapt. ‘Hij bezocht meneer af en toe.’ Buren dus, denk ik.
‘Goed dat u er bent,’ zeg ik. ‘Dat er nog iemand is.’ Dus toch niet helemaal een eenzame uitvaart. Ik leg de zoon uit wat we komen doen, dat dit Joke is die een gedicht heeft geschreven voor meneer omdat ons was meegedeeld dat het een eenzame uitvaart betrof, die nu eigenlijk niet zo heel eenzaam is. Je kan moeilijk spreken over een halve eenzame uitvaart, vind ik, of over een heel erge eenzame uitvaart, het gaat steeds over iemand die bij leven erg weinig mensen tot zelfs niemand om zich heen had.
‘We wisten helemaal niet wanneer de uitvaart zou doorgaan,’ zegt de zoon verontwaardigd. ‘We hebben zelf moeten rondbellen.’ Ik leg de zoon uit dat wanneer er geen familie word gevonden er geen rouwbrieven worden gedrukt of rondgestuurd. Later zal ceremoniemeester Etienne het nog eens herhalen tegen de zoon. Etienne met het witte baardje die de laatste tijd alle OCMW-uitvaarten verzorgt en wiens naam ik weer vergeten was, maar hij ook de mijne, het wordt ons standaardgrapje, we kunnen er om lachen als ik hem de geleende paraplu’s terug geef.
Aangekomen aan perk W1 blijkt dat er nog bezoekers zijn opgedoken. ‘Een vriendin van J,’ legt de oude mevrouw uit. Haar dochter begeleidt haar en vraagt waarom het zo lang duurde eer de uitvaart doorging. Op elf maart gestorven, op elf april begraven.
Etienne mag het weer uitleggen; dat men eerst op zoek gaat naar de familie of het geld van meneer V.d.H. voor de begrafeniskosten. Bij zijn uitleg maakt hij de hele tijd het universele geldgebaar met zijn vingers. De zoon van de bovenbuurman verklaart ook nog dat hij de politie heeft gebeld. Onomwonden vertelt hij dat meneer V.d.H. blijkbaar al vier dagen dood in zijn appartement lag. ‘In kots en stoelgang.’ Ik hoef deze details niet te weten. Soms voel ik me een inbreker in iemands leven.
Ons kleine gezelschap stapt achter de kist naar het graf. De gravers zijn erin geslaagd in de korte tijd tussen de twee eenzame uitvaarten een nieuwe kuil te graven. Als de kist met mijn plantje op, gele krokussen dit keer, op schragen is gezet neemt Etienne het woord: ‘We zijn samengekomen om het leven van J.V.d.H. te gedenken, we staan stil bij de dierbare, wat hij voor ons heeft betekend, of voor anderen, iedereen doet dat op zijn of haar manier.’ Het gaat snel, zijn tekst. En net zoals de uitvaart van een uur ervoor begint het opnieuw te gieten. Paraplu’s gaan weer open, de regen roffelt tegen het opgespannen plastic, Joke leest haar gedicht met luide stem voor, gezicht naar ons toe gericht.

Voor J.V.d.H. (1924-2012)

Dat raam waardoor u naar de groene voortuin keek
met een verlegen muurtje afgezoomd. We zijn als gras,
zegt men al eeuwen en zie ons groeien, kort geschoren
worden, doorgaan. Waar moet uw moede stoel nu staan,
die als een schoot nog steun bood, hoe verhulden de
gordijnen wie u was, hielden uw spullen u gezelschap
zonder iets te kunnen vragen.

Het heeft zich neergelegd, uw lichaam waarin ergens
nog een jongen school die dacht aan wat er allemaal
niet op zou komen dagen.

‘En dan verlaten we nu het perk,’ zegt Etienne. De kist mogen we niet meer zien zakken, maar iedereen is opgelucht lijkt het, dat we uit de regen mogen. Ik denk aan het verlegen muurtje uit Joke’s gedicht, en het kort geschoren gras. Dat muurtje stond inderdaad op de foto. Zo’n muurtje dat de bezoekers of passanten zegt: tot hier, niet verder, dit is van ons.

Voor verslag: Maarten Inghels
Voor gedicht: Joke van Leeuwen