Meneer J.K.R. is op 6 juni 1941 geboren in Neuhütten in Duitsland en in Antwerpen overleden op 8 mei 2012. Zijn uitvaart vond plaats op donderdagmiddag 31 mei 2012 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Jan Aelberts.

Het is Pinkstermaandag wanneer ik het appartement van meneer J.K.R. bezoek op zoek naar zijn verhaal. De trams die van het schipperskwartier waar ik woon naar het Zuid gaan, rijden niet vanwege werken in de Nationalestraat lees ik op de infoborden aan de haltes. Dat wordt een lange wandeling in de brandende zon. Het is een erg warme dag vandaag en dat zie je ook aan de overbevolkte terrasjes in de stad. Er zijn geen winkels open, bijna iedereen heeft een vrije dag en zit buiten.

Meneer R. woonde in de Beelhouwersstraat in de schaduw van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, een imposant gebouw op het hippe Zuid, met een fontein als kunstwerk voor de deur en een grote concentratie aan cafés waar je veel acteurs moet tegenkomen. Iedereen draagt een zonnebril.

Ik steek de tramplaats voor het museum over en wandel de Beeldhouwersstraat in. Prachtige, grote herenhuizen, met plantsoentjes in de straat. Een huis moet hier een fortuin kosten, en vaak betekent veel geld ook veel vrienden, dus vind ik het vreemd dat meneer R. eenzaam zal worden begraven, met een appartement in de hipste buurt van de stad.

Het antwoord is erg simpel want als ik de huisnummers afloop op zoek naar het appartement van J.K.R. kom ik aan het einde van de straat terecht, bijna aan de Leien, aan de achterkant van het museum dat er plots minder indrukwekkend uitziet, waar enkele appartementsblokken staan met een architectuur die poverder aandoet. Hier op het gelijkvloers heeft meneer R. gewoond.

Hoelang weet ik niet. De Firma deelde mee dat hij in Neuhütten, Duitsland is geboren en in Antwerpen is beland. Maar het is gissen of zijn immigratie kort of lang geleden was. Thuis had ik Neuhütten al opgezocht op Google Maps en dat leverde twee resultaten op. Je hebt een Neuhütten in Beieren en een Neuhütten in Rijnland-Palts wat dichter bij België ligt. Ik ga er vanuit dat meneer R. uit de tweede Neuhütten vandaan komt, maar zeker zal ik het nooit weten.

Ik ga het appartementsgebouw binnen en zie de brievenbus van meneer R. Die puilt niet bijzonder uit. Er zijn zes belletjes, met daarboven een bordje waar de conciërge met een magneet kan aanduiden waar hij zich bevindt. Blijkbaar heeft hij twee panden en een garagebox waar hij zou kunnen zijn, maar vandaag staat de magneet op ‘afwezig’.

Ik druk op de tweede bel, boven die van meneer R. en door de krakende intercom hoor ik een oude vrouwenstem. Het gesprek loopt lastig door de ruis op de lijn die de mevrouw een buitenlands accent geeft. Ik leg uit waarvoor ik kom, en of ze J.K.R. heeft gekend, gezien, wat meer weet. Dat begrijpt ze niet zo goed, ze parafraseert mijn woorden, en ik vraag haar of ik haar even kan spreken van gezicht tot gezicht, of ze eventueel tot beneden wil komen. Dat doet ze.

Ze is helemaal niet zo oud als ze klonk. En neen, ze weet nog steeds niets over meneer R. Ze zagen elkaar wel eens op de gang maar ‘meer dan een goedendag was het niet’. Hij had wel nog een vriend, herinnert ze zich, die meneer heeft gevonden. Hij woonde in de Zwijgerstraat, aan de andere kant van het museum. Maar neen, geen naam en ook geen huisnummer.

Dat hoor ik bij de laatste eenzame uitvaarten wel vaker, dat meneer of mevrouw nog een vriend had, of iemand die sporadisch langs kwam, maar die vriend of vriendin is haast nooit meer terug te vinden. Opgelost in onbekende straten. De Firma had gezegd dat meneer door de politie op 8 mei in zijn woonst is aangetroffen. Dat is al een hele tijd geleden, twintig dagen om precies te zijn, en al die tijd heeft er zich niemand aangemeld bij de uitvaartondernemer of de politie om zich bekend te maken als nabestaande of vriendschap. De uitvaartondernemer kan wel een tijd wachten, maar als er na drie weken nog niemand achter meneer heeft gevraagd, moet hij wel de grond in.

Ik vraag de buurvrouw nog of meneer R. goed Nederlands sprak. Daar wil ik niet mee discrimineren of iets insinueren, maar het antwoord zou me iets kunnen vertellen over zijn verblijf in Antwerpen. Hij sprak goed Nederlands, zegt ze. Dus woonde hij hier waarschijnlijk al een lange tijd. Ik bedank de buurvrouw voor haar tijd en wandel naar de Leien, neem een andere tram terug naar huis, het is te warm om zo in de zon te lopen.

Meneer R. was Duitser, ongehuwd en kinderloos. Daar moet Jan Aelberts het mee doen.

 

Op donderdag 31 mei, de dag van de uitvaart van meneer R., is het weer helemaal omgeslagen. Het is drukkend, en de hemel hangt nog vol ochtendgrijs dat maar niet wil wegtrekken. Jan Aelberts is er al wanneer ik de begraafplaats opstap met een lavendelplant in een plastic zakje. De bloemiste had me op het hart gedrukt de plant in volle grond te plaatsen want hij zat al een tijdlang in het potje van de groothandel. ‘Je zal de wortels even moeten lostrekken zodat hij goed verder groeit’. Ik vermoedde dat ze me herkende van de talloze keren dat ik hier een plant kwam kopen; heide, dan weer lavendel, of chrysanten wanneer de tijd daar is. Ik vroeg me af wat ze dacht, of ze zich inbeeldde dat ik zo’n keurige jongen ben die regelmatig het graf van zijn overleden grootmoeder bezoekt.

Niet veel later draait de lijkwagen Schoonselhof op en stapt één van de dragers uit. ‘Het is wachten op de andere dragers,’ zegt hij.

‘Etienne?’ vraag ik. Hij knikt.

En Etienne laat niet lang op zich wachten. Hij groet mij en zegt tegen Jan dat hij hem nog niet veel gezien heeft. Dat klopt, Jan verzorgde een jaar geleden voor het laatst een eenzame uitvaart. We lopen achter de corbillard aan richting perk W1.

Het gaat weer snel, bij andere eenzame uitvaarten gebeurt het dat er nog even wordt gedraald met de kist uit de koffer te schuiven, maar nu staat de kist al op de schouders van de vier dragers voor ik met de ogen heb geknipperd. We stappen het perk op en zien dat er al een tweede lijn van graven is aangemaakt. Mijn lavendelplant gaat op de kist en Etienne doet teken dat Jan zijn woordje mag doen.

Behalve Etienne staat er nog één drager bij de kist te luisteren, de anderen staan in een kluitje bij de drie gravers die zich altijd, alsof het een verplichting is, afzijdig houden, het liefst buiten beeld. Waarschijnlijk een gewoonte omdat families de schop en de graafmachine niet willen zien, het definitieve onderstoppen van de overledene.

Welke gedachte kiest een man voor hij gaat?

Probeert hij met alle macht in God te geloven,
of schept hij de antieke moeder naast zijn bed?

Is het haar hand die op zijn voorhoofd rust
en na verloren dagen zegt: het komt wel goed?

Probeert hij te achterhalen wie zijn vrienden waren
en wie zijn verraders? Of is het nog veel minder,
stomweg spijt of angst of dorst?

Alleen uw nieuwe landgenoten weten
dat na die laatste nacht alles hen zal overleven.

Hoe het licht straks weer de hemel zal bestormen
en koeltorens adem halen, hoe ‘s ochtends
trams de straten opnieuw in stukken snijden.

Zo verbitterd is het leven als het doorgaat
voor wie stil wil staan en ophoudt voor wie graag
nog even,
al is het maar.

We groeten de kist en daarna laten de dragers deze zakken in de kuil. Ik vraag Etienne of hij de gravers wil vragen de plant in te graven op het graf. Anders zetten ze de pot altijd op het hoofdeinde, tegen het kruis aan, maar dan gaat de plant sneller dood. Op zijn beurt geeft Etienne de boodschap door aan de dragers. Het lijkt alsof ik niet met ze mag praten maar het is een soort van onuitgesproken etiquette.

Op weg naar de uitgang van het perk merk ik op dat – in tegenstelling tot het vorige perk U – de doden op de twee rijen nu met de hoofden naar elkaar toe liggen en niet met de voeten richting de schouders als cadeauchocolade in een box.

‘Dat weet ik echt niet,’ antwoordt Etienne.

‘Dan kunnen ze gemakkelijker een kaartje leggen zeker,’ zegt één van de dragers lachend.

‘Of met elkaar praten,’ zeg ik. Ik weet best dat het niet kan, maar zulke dingen verzinnen we altijd om ons gerust te stellen dat de dode het goed heeft daar beneden. Zoals nabestaanden bepaalde beeldjes of planten op het graf willen zien omdat hij of zij dat bij leven ‘zo graag zag’.

‘Dat wordt lastig communiceren,’ zegt de drager weer. ‘Want J.K.R. ligt naast een Nigeriaan.’ We lachen.

‘Tot de volgende,’ zegt Etienne tegen mij terwijl hij een hand geeft.

‘Niet te snel hopelijk,’ zeg ik. Onze standaardafsluiter.

 

Zwijgend drinken Jan en ik nog iets na op het terras van café De Leuvenaar waarna ik de tram richting het centrum neem. Jan Aelberts stapt vroeger uit bij station Antwerpen-Zuid om de trein naar Gent te nemen. Wanneer ik dit verslag uittik is het druilerig en koud buiten, de belofte van een mooie lente is in de kiem gesmoord.

Voor gedicht: Jan Aelberts
Voor verslag: Maarten Inghels