Meneer H.H. is op  7 januari 1950 geboren in Antwerpen en in Ziekenhuis Stuivenberg overleden op 25 mei 2012. Zijn uitvaart vond plaats op woensdagmiddag 13 juni 2012 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Het mailtje van de Firma spreekt van twee eenzame uitvaarten, maar later op de dag is dat aantal afgeslankt naar één. Er werden nog vrienden gevonden voor de eerste. Voor de tweede uitvaart zoek ik dus een dichter, antwoord ik. En Stijn Vranken is beschikbaar om een gedicht te schrijven voor meneer H.H.

Meneer H.H. heeft nog familie, er is een mevrouw H., maar die wil niet aanwezig zijn, blijkt ook minder mobiel te zijn, maar de eerste reden is doorslaggevender. Ik pols de Firma of mevrouw bereid is me te woord te staan. Ze zou ons kunnen vertellen over haar man wat nuttig kan zijn om het gedicht persoonlijker te maken, misschien iets over zijn levenswandel. De Firma antwoordt dat de echtgenote blijkbaar enkel nog op papier met meneer H. gehuwd was, dat ze nog weinig met elkaar omgingen, ‘de kwestie ligt nogal gevoelig’. Mevrouw H. zullen we dus met rust laten.

Net zoals de andere eenzame uitvaart, die wegviel, woonde meneer H. officieel in de buurt van Stijn Vranken, quasi om de hoek. Hij is overleden in ziekenhuis Stuivenberg, ook om de hoek van Stijn, dus al deze elementen maken van Stijn Vranken de geschikte dichter om iets te schrijven voor meneer H. We weten weinig over hem maar ik weet dat Stijn zich uit de slag kan trekken, hij heeft zelden meer gegevens nodig dan een naam of geboortedatum. Niet dat het hem makkelijker afgaat een gedicht te schrijven voor de eenzame uitvaart, en niet dat het om minder persoonlijke gedichten gaat, maar Stijn Vranken kan een universele toon aanslaan, gedichten die werkelijk iets vertellen over de dood en onze toekomst, zonder te vervallen in algemeenheden, zonder te oordelen over iemands levensloop.

Omdat we zo weinig weten over meneer H. ben ik met Google aan de slag gegaan en de combinatie van naam met adres levert verrassend genoeg vrijwel meteen resultaat op: een niet zo rooskleurig beeld in de vorm van een uittreksel uit het Belgisch Staatsblad. Het is een vonnis van het vredegerecht van het eerste kanton Antwerpen waarin ‘bij vonnis van de vrederechter, verleend op 16 maart 2012, meneer H.H. wordt opgenomen in de instelling Z.N.A. Campus Stuivenberg, niet in staat verklaard zelf zijn goederen te beheren. Daarbij toegevoegd als voorlopig bewindvoerder: J.E., advocaat, kantoorhoudende te Antwerpen’.

Het vonnis, door de griffie op papier gezet op 20 maart 2012, dus nog niet zo heel lang geleden, mail ik door naar Stijn, waarna die oppert dat de oorzaak misschien dementie is en voegt daaraan toe: ‘bijzonder goed ontworpen zijn we toch niet, als mens’. Ik antwoord dat collocatie, het ontnemen van iemands vrijheid, ook verplicht kan worden bij psychiatrische problemen, of een drankprobleem, of tal van andere redenen, maar tot slot besluiten we geen conclusies te trekken, niet te gaan gissen over de laatste maanden van meneer H. We weten het niet, dus laten we het leven van H.H. in alle eenvoud rusten bij een adres, een ziekenhuis, zijn naam.

‘Ik ben milder geworden in het afgelopen jaar van De Eenzame Uitvaart’, zegt Stijn. ‘Minder verontwaardigd over de omstandigheden van de overledene.’

 

Dat we niet kunnen gissen blijkt als ik begraafplaats Schoonselhof opstap met een pot witte margrieten in de hand, en ik een hoop mensen op een kluitje zie staan. Er is ook een hond bij, een Golden Retriever denk ik, maar mijn kennis van honden is beperkt. Toch familie, negen mensen, die zich voorstellen als moeder, stiefmoeder, zus, stiefbroer, een neefje en aanverwanten. Het organogram van bloedbanden is moeilijk te achterhalen.

Ik stel me voor en leg uit wat ik kom doen, dat er nog een dichter komt die iets geschreven heeft voor meneer H. omdat ons is meegedeeld dat niemand aanwezig zou zijn, dat het in die zin een eenzame uitvaart is, hoe ongelukkig die woorden ook klinken in de oren van inderhaast opgedaagde familie.

‘Ik ken het project ‘De eenzame uitvaart’’, zegt de zus of de moeder, het is me niet helemaal duidelijk. ‘Maar kost die dichter ons geld?’ Ik antwoord dat het haar niets kost, dat ze zich geen zorgen hoeft te maken, maar dat ik wel haar toestemming nodig heb, anders houdt de dichter zijn mond.

‘Ik had al van het project gehoord’, vervolgt ze. ‘Een collega had erover in de krant gelezen en zei dat we jullie moesten vragen, maar ik wist niet naar wie te bellen.’ Het is merkwaardig en de eerste keer dat een familielid ons zou willen inschakelen voor een uitvaart. Ze legt uit dat H.H. wel degelijk eenzaam was, zijn vrouw geen contact met hem wilde, er volgen nog enkele verwensingen naar haar hoofd, en dat ze hem nooit zagen. Er klinkt veel verontwaardiging in hun dialogen.

‘Zijn vrouw stuurde ons een bericht dat zijn uitvaart afgelopen zaterdag zou plaatsvinden op begraafplaats Silsburg, om tien uur’, zegt de stiefbroer. ‘We geloofden het niet, maar zijn voor de zekerheid toch gegaan. Er was niets te zien.’

‘Ze zei dat er nog rouwbrieven zouden komen, maar die zijn er nooit geweest. Twee weken zijn we al aan het rondbellen voor informatie over zijn uitvaart. Past op het laatste hoorden we dat het vandaag zou zijn’, zegt de moeder of zus. Geen eenzame uitvaart, denk ik. Maar de familie geeft de toestemming voor dichter Stijn Vranken. Ze vinden het zelfs een goed idee, ‘dat er nog iets wordt gezegd’.

Stijn komt er ook aan, er worden opnieuw handen geschud, de familie vertelt meer over H.R. terwijl de hond rond springt, er moet blijkbaar best veel van het hart. Meneer H. heeft blijkbaar nog drie kinderen die ergens in Limburg wonen, ver weg, ze hadden geen contact meer met hun vader, onderling wel. De Firma is te laat want ze zitten vast in het verkeer. In de binnenstad zijn twee ongevallen gebeurd en de verkeersellende deint uit naar de rand.

Een half uur later dan gepland draait de corbillard, hun modernere variant met glazen zijkanten als een lage pausmobiel, Schoonselhof op. In stoet lopen we achter de wagen richting perk W1. Er komt nog een man vragen wie begraven wordt maar hij blijkt te komen voor de andere eenzame uitvaart, waar toch vrienden voor zijn gevonden. Bij perk W1 aangekomen merk ik op dat het een kist in groter formaat is, die op de schouders wordt gehesen.

Eens de kist op schragen staat, mijn margrietjes erop, trekt er een stevige wind, en doet Etienne teken aan Stijn dat hij mag voordragen.

 

Dertien vragen en geen antwoord

Wat valt er te verliezen?

De tijd? De droom die zich als een wolk
van eiwit in onze hoofden heeft vastgezet?
Het verleden dat maar niet bestaat?

Wat valt er te verliezen?

Het licht? Mijn blik in uw ogen? De kans
op een weerzien? De toekomst die wij ons
zelfs niet meer kunnen herinneren?

Wat was er ooit van ons?

De eeuwigheid? Of de vraag? Is alles niet
meer van voorbijgaande aard
dan van ons?

 

Een voor een groeten we, Stijn en ik als laatste. De hond is weg, hij zit misschien in de auto. Ik bekijk nog even de graven van twee vorige eenzame uitvaarten waar mijn bloemen zijn verdwenen, of door de gravers nooit zijn geplant. We nemen afscheid van de familie, drukken onze innige deelneming nog eens uit, ze zijn nog even bezig met papieren in ontvangst te nemen om wettelijk verlof te krijgen voor deze uitvaart, en wandelen naar de uitgang. Café De Leuvenaar is gesloten maar ik krijg een lift van Stijn Vranken naar het centrum.

Voor gedicht: Stijn Vranken
Voor verslag: Maarten Inghels