Meneer H.P. is op  14 oktober 1960 geboren in Tienen en in Antwerpen overleden op 8 september 2012. Zijn uitvaart vond plaats op vrijdagmiddag 21 september 2012 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Maarten Inghels.

Aan het begin van de week heb ik nog maar net meneer H.D.K. weggedragen of er komt alweer een mailtje van de firma binnen. Als vanouds eindigt de mail met ‘Met vriendelijke groeten, Renée’. Ik heb Renée nog nooit ontmoet. Althans, dat kan ik me niet herinneren. Zij is de persoon aan de andere kant van de lijn, iemand met een kordate stem die van aanpakken weet. Net voor de zomer liet ze weten eindelijk een eigen mailadres van de Firma te hebben gekregen. Daarvoor moest ze het doen met het algemeen adres van de Firma. Een digitale promotie; haar eigen naam gevolgd door een apenstaartje. En nu komt ze opnieuw met een eenzaam overledene; de tweeënvijftigjarige man H.P. met een zus waar niemand gegevens van heeft. Er was nog een begeleider, laat Renée weten, die zei dat H.P. ongelovig was, vandaar een burgerlijke begrafenis. Dat zijn haast al onze eenzame uitvaarten: burgerlijk, atheïstisch, zonder gospels of gebeden.
Het verhaal van hoe meneer P. aan een begeleider kwam hoor ik pas als ik langs zijn woonst in de Blindestraat ga. Een groot wit huis over de ingang van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en schuin over een statig herenpand waarop in grote letters Huis Van Weldadigheid staat. Naast de deur van zijn officiële adres hangt een plaatje met ‘Werk der daklozen’ in gegraveerd. Wanneer ik aanbel hoor ik gestommel en wordt er achter de deur aan drie sloten gemorreld. ‘Ik kom!’ hoor ik de vrouw met de sleutels roepen. Dit is niet de officiële ingang, krijg ik te horen wanneer de zware houten deur ten lange leste opengaat. Ik wordt meteen binnen geloodst en de deur valt achter mij weer in het slot. Een beetje verder in de straat wordt de grote poort als inkom gebruikt, vervolgt de vrouw met een haarband rond haar hoofd die haar springerige dreadlocks in de ban houden.
‘Is ‘Werk der daklozen’ een daklozencentrum?’ vraag ik om een ingang in dit gesprek te vinden.
‘Ja, maar we heten al een tijdlang De Plataan. Onze vorige naam gaf een vertekend beeld, wij voorzien namelijk niet in werk.’
Ik leg uit dat ik voor meneer H.P. kom. Althans, om meer informatie over meneer H.P. om een gedicht te schrijven voor zijn uitvaart. Ze vindt het een mooi gebaar en plots worden er nog drie medewerkers bij geroepen om alles te vertellen over H.P. Koffie? Water? vraagt iemand. Er wordt een ingekaderde portretfoto van H.P. bovengehaald waarop hij met krukken te zien is. Op zijn pols staat een groene tatoeage. Hij had hier een kamertje, vertellen ze. Brak ooit zijn enkel en dat letsel was nooit goed genezen. Was suikerziek. Had veel pijn en kreeg morfine. Ondanks dat had hij nog veel strijdvaardigheid. Was fier op zichzelf, zorgde ervoor dat zijn bed steeds mooi opgedekt was. Hij las graag maar zag niet goed. Kleine gestalte maar met veel karakter. Babbelde graag, over zijn zoon die bij de post werkte. Waar die zoon is, of hij wel degelijk bestaat, weet niemand.
Ik hoor een hoop gebreken van een vechtlustige man. Iemand van dertien ongelukken, of zelfs meer. De laatste twee maanden van zijn leven bracht hij door in het ziekenhuis. Er rotsvast van overtuigd dat hij terug zou keren naar De Plataan. Ze gingen hem bijna elke dag bezoeken, maar hem terug naar huis brengen zat er niet meer in. Ik bedank de medewerkers voor hun gulheid bij het delen van het verhaal van H.P. en wordt uitgelaten langs de achterdeur. Via het binnentuintje met een grote plataan in het midden loop ik door de garagepoort naar buiten.

Ruim op tijd kom ik aan op Schoonselhof en ik besluit nog even naar perk W1 te lopen. Het is droog herfstig weer en niet te koud. Na een rondje langs de troosteloze houten pijlers lees ik verder in een boek tot ik vanaf mijn bankje bij het perk de lijkwagen van de Firma de begraafplaats zie oprijden. Hun laadruimte is leeg. Het is wachten op auto nummer twee, krijg ik te horen. Ik vertel dat er nog vrijwilligers van het daklozencentrum komen. Bert stapt alvast uit en biedt me een filterloze sigaret aan die ik afsla vanwege een hardnekkige verkoudheid die naar mijn longen is neergedaald. We praten even over zijn rugklachten die alleen maar erger worden door de krappe zitruimte in de lijkwagens. Dan gaat het over het begraafbos dat op Schoonselhof wordt gebouwd: een stukje natuur waar men ecologische urnen kan ingraven. En dan verschijnt opnieuw de lijkwagen die een toertje rond de perken heeft gemaakt, deze keer wel met een kist in de laadruimte. ‘Die truck moet je mij eens uitleggen,’ zeg ik. Er wordt gelachen. ‘Nog eens een toertje en we toveren hem zò weg,’ antwoordt Dennis de drager. Zolang je hem straks maar terug bij hebt, zeg ik.
Hier aan het perk, het graf, dralend rond de kist, regeert soms de grap. Ik merk zelf dat deze verslagen luchtiger worden, minder aarzelend of behoedzaam. Het is niet dat ik in de routine mijn toon heb gevonden, maar nu ik nummer 28 wegdraag merk ik een zekere gewoonte op; het wachten op de kist, een grap of een anekdote, het gedicht aan het graf, groeten en enkele stevige handdrukken. Hoewel elke overledene uniek is en onze oprechte bekommernis verdient, belanden ze uiteindelijk broederlijk naast elkaar in de grond.
Twee auto’s komen de begraafplaats opgereden, houden halt en belemmeren de oprit voor andere bezoekers. Het zijn de twee vrijwilligers van het daklozencentrum. We moeten wachten op de derde vrijwilliger, zeggen ze. Maar ze zijn te laat, het is 13u, en de Firma met zijn dragers is uiterst klokvast. Meneer H.P. moet nu de grond in. Ik zie Bert bezorgd kijken. Straks is er nog een uitvaart en die kist moet nog gehaald worden. Er slibt een derde auto in de file die ze gecreëerd hebben, maar dat is niet de man die ze zoeken. Die is met de fiets en blijkt aan de verkeerde ingang van de begraafplaats te staan. Een klassieker: bezoekers die aan het crematorium wachten. Het lijkt een grotere inkom te zijn, maar waar we nu staan is de officiële hoofdingang.
Uiteindelijk fietst er iemand met een baard aan en met enkele minuten over één uur kunnen we dan toch de stoet in gang zetten: de langzaam rijdende corbillard met daarachter Bert en ik, dan de twee brommende auto’s en een fietser. Eens bij het perk wordt gewacht tot de fiets is weggezet, de motoren van de auto’s zijn stilgelegd, tot er enkel nog een serene stilte hangt, vooraleer de vijf dragers de kist groeten en op de schouders hijsen. Bert loopt meteen achter, dan ik met de purperen heide, dan de drie vrijwilligers.

 

WE MOETEN

voor H.P. (1960-2012)

Zoals we de dragers vragen om voorzichtigheid
bij het laten zakken van uw strijdvaardige lijf,
sporen we de gravers aan het licht in uw ogen
niet te blussen bij het delven van uw vechtende knokels.

We waarschuwen de houten kist uw vermoeide been
te dragen, de gebroken enkels vanwege uw lastige leven,
in de grond die we aanroepen u warm te houden
voor uw zoon of zuster die misschien nog komt.

We dienen het gras nog het verhaal aan te leren
dat u graag hoorde, om dan, tot slot, onszelf te
vertellen dat u vaak genoeg uit het raam tuurde
om zich gerust te stellen dat er nog iemand was,

buiten uzelf.

Van Bert mogen we afscheid nemen zoals we willen: kruisteken, buiging, aanraking. Ik ga voor de lichte kromming in de rug, de bebaarde medewerker voor het aanraken van de houten kist. De plantjes gaan even aan de kant waarna de kist in de kuil gaat. Broederlijk naast meneer H.D.K. die we vier dagen geleden hebben begraven. Aan de lijkwagen nemen we weer afscheid. Tot niet al te gauw, zeg ik tegen Bert. En succes met je rug.

Voor gedicht en verslag: Maarten Inghels