Mevrouw N.H. is op 12 juni 1918 geboren in Watergraafsmeer in Nederland en in Antwerpen overleden op 20 november 2012. Haar uitvaart vond plaats op woensdagmiddag 28 november 2012 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Jan Aelberts.

In het café waar ik regelmatig kom passeerde dagelijks een vijftiger, nogal kort en gedrongen van uiterlijk, die altijd een glas Duvel bestelde. Soms werden het er twee, maar nooit meer. Hij droeg altijd een tablet met zich mee, waarop hij via het draadloze netwerk filmpjes zat te kijken van al lang vervlogen televisieprogramma’s. Met de koptelefoon op zat hij te gniffelen om gedateerde sketches. Een paar weken op rij bestelde hij plots witte port, hij was humeurig, en ik ving op dat hij een drankprobleem had. Wanneer de alcohol hem te veel benevelde keerde hij met de tablet onder de arm naar huis om in afzondering verder te drinken. Te beschaamd om zich dronken in het openbaar te vertonen.

Plots dook hij niet meer op.

Het tafeltje aan het raam waar hij altijd zat, bleef een tijdlang leeg. Op de dag dat ik een mailtje van de firma kreeg dat melding maakte van een nieuwe eenzame uitvaart, vertelde de barvrouw dat men hem dood had aangetroffen in zijn appartement enkele huizen verderop.

Maar we gaan mevrouw N.H. wegdragen. Ze kwam uit Watergraafsmeer in Nederland, in het stadsdeel Oost in Amsterdam, waar ik een keer was geweest. In het bijzonder op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, in het Nederlands Uitvaartmuseum Tot Zover, waar het boek Een steek diep van F. Starik werd voorgesteld met verslagen en gedichten van De Eenzame Uitvaart in Amsterdam. Geen idee of mevrouw H. ergens bij de Oosterbegraafplaats was opgegroeid, net na de eerste Wereldoorlog. We weten wel dat ze naar Antwerpen is getrokken, getrouwd is met een man die al lang onder de zoden ligt. N.H. dementeerde en verbleef lange tijd in het Woon- en Zorgcentrum Onze-Lieve-Vrouw van Antwerpen. Wanneer ik de verpleegster aan de lijn krijg kan ze vertellen dat mevrouw H. ‘een hele lieve vrouw was, maar wist wat ze wilde. Een pittig karakter.’ Op de website van het Woon- en Zorgcentrum kan je ‘fan’ worden van hun Facebookpagina en de bevindingen over het dagelijkse soepje in de ‘thuiskrant’ lezen: “algemeen ervaart men dat de soep minder zout is, een enkele keer is het nog een probleem.” Veel foto’s van ouderen in de krant, maar geen idee hoe ik mevrouw H. vind. Ik stuur een bericht naar een vriend met wie ik op het moment van de uitvaart had afgesproken. Zijn naam streep ik door in mijn agenda, waarna ik in telegramstijl ‘EU 29, 14u. N.H.’ noteer.

 

Anderhalf uur op voorhand trek ik de deur achter me dicht om koers te zetten richting Schoonselhof. Zelfs met die planning kom ik nog te laat merk ik. Na een korte tramrit richting halte Nationale Bank strand ik op een perron waar het openbaar vervoer maar in één richting pendelt, de verkeerde. Er doet zich een staking voor aan het knooppunt Rooseveltplaats waardoor alle trams en bussen in een fuik vastzitten. Na drie kwartier wachten merk ik dat het half twee is geworden, dat ik op een half uur nooit de begraafplaats haal, zelfs niet als tram 24 nu meteen zou aankomen. Ik steek de straat over en ga aan het verkeerslicht met een opgerold magazine zwaaien naar de voorbijrijdende auto’s, maar de vier passerende taxi’s vervoeren allemaal al iemand. Ondertussen bel ik de twee taxicentrales op waarvan ik de nummers in mijn telefoon heb zitten maar de wachttijden lopen op tot meer dan een half uur. ‘Je kan beter wachten tot er iemand voorbij rijdt,’ zegt Taxi Berchem. De vijfde taxi is een leeg busje dat voor me wil stoppen.

‘Net een vijftal russen afgezet op de Belgiëlei en de centrale zei me meteen naar hier te komen, dat iemand snel een taxi zocht aan de Nationale Bank, dus ik reed meteen door, na die Russen,’ ratelt de taxichauffeur. Daarna vertelt hij in rap tempo verder over de koude temperatuur die komt opsteken, de vijf russen, de staking van het openbaar vervoer. We halen het hoor, stelt hij me gerust als ik naar het klokje op zijn dashboard kijk. Het is twintig voor twee. Ik bel Jan Aelberts op die ook in een taxi blijkt te zitten, hij is er zo. We rijden onder het nieuwe gerechtsgebouw de autosnelweg op. Maar voor een kort stukje, tot aan afrit Hoboken, waar we die ellenlange steenweg op moeten.

‘Zag je dat?’ roept de taxichauffeur. ‘Die jongen op de fiets stal een stuk fruit van dat kraampje!’ Ik zie twee jongens op de fiets naast ons op het voetpad rijden.

‘Zonder te stoppen kon hij zo een stuk fruit nemen’, gaat de chauffeur vol bewondering verder. Hij moet lachen. Precies om tien voor twee kan ik de chauffeur vragen de taxi aan de kant te zetten bij één van de bloemenwinkels aan de terminus. Ik kan nog twee potjes purperen heide kopen voor ik Schoonselhof opstap. Jan staat te roken en Bert is er ook. Bert heeft een nieuwe wagen in bruikleen gekregen. Een witte Smart met het logo van de Firma op. Zijn vorig autootje is al lange tijd stuk.

‘Ik kan straks één iemand terug mee naar de stad vervoeren’, zegt Bert. ‘Maar dan zit de auto vol.’ Hij kijkt op zijn horloge, het is vijf voor twee. ‘We kunnen alvast vertrekken richting het perk. Er is toch niemand meer waar we op moeten wachten?’ Ik knik bevestigend. Zacht pratend wandelen Jan en ik achter de corbillard naar perk W1. Ik zie dat alle plaatsnaambordjes zijn vernieuwd. Waar het vroeger eenvoudige houten plaatjes waren, wijzen kunststoffen pijlen je nu de weg. Ik vond de vorige mooier. Bert steekt ons met zijn wit autootje voorbij.

De uitvaart is kort en krachtig. De kist gaat op schragen, mijn potjes heide aan het magere voeteinde van mevrouw H. en Bert buigt met zijn hoofd als teken dat Jan mag overgaan tot het voordragen van het gedicht.

November is het en de dagen
schreeuwen om veel meer licht
en veel meer wereld

Want alles is kleiner nu
Ook u
verdween als muziek
op dit eeuwig zinkend schip

Van alle vrienden
zocht alleen de nacht u op,
walsend door de kamer, zingend
in gedachten: ga mee

Lang hebt u gezwegen, gewacht
zonder te bewegen
op een verse lading licht

En toch:
Eenzaamheid maakt weerloos

Dus zei u laatst tot de nacht
“Kom, blijf nog even,
we hebben alle tijd”

Al wandelend nemen Bert en ik afscheid van elkaar. Jan en ik slaan de lift voor één persoon af en wandelen het perk uit. Café De Leuvenaar is dicht, dus moeten we naar het café aan de overkant, dat geheel in het luchtvaartthema staat. Aan het plafond is een halve vleugel bevestigd, aan de muren hangen borden met nummers van fictieve gates. We bestellen twee biertjes terwijl een grijze poes rond onze benen dartelt. Met een prachtige vacht trippelt hij nieuwsgierig langs ons tafeltje, rond onze benen. ‘Hij is verloren gelopen’, zegt de cafébaas. ‘Hij stond plots voor onze deur.’ Klagerig miauwt de kat. In afwachting van de taxi die we hebben besteld nemen we nog twee biertjes. We hebben alle tijd.

Voor gedicht: Jan Aelberts
Voor verslag: Maarten Inghels