Meneer P.V.H. is op 28 juni 1965 geboren in Lier en in zijn woonst in Antwerpen overleden op 7 november 2012. Zijn uitvaart vond plaats op dinsdagmiddag 11 december 2012 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Joke van Leeuwen.

Ik ben onderweg naar Antwerpen Linkeroever waar meneer V.H. enige tijd geleden is gevonden. Enige tijd, omdat P.V.H. al een maand in het mortuarium van het Universitair Ziekenhuis in Edegem ligt. Pas wanneer men bij de burgerlijke stand de aangifte van overlijden ontdekte zonder dat er een uitvaartondernemer aan verbonden was, werd de Firma ingeschakeld. Die deed navraag bij het UZ Edegem waar men bevestigde dat er de laatste maand niemand naar het lijk heeft geïnformeerd. Verder is er niets bekend over de achtergrond van P.V.H. Het OCMW gaf groen licht voor de uitvaart.

Het is een mooie dag; straalblauwe lucht en goed koud. Met mijn fiets manoeuvreer ik tussen de kerststalletjes op de Grote Markt die voor het eerst geopend zijn. Tussen de houten chalets hangt de geur van braadworst en glühwein. Het is verschrikkelijk druk in de binnenstad dus geraak ik maar moeizaam vooruit. Tot aan de voetgangerstunnel, met die enorme kooi die me 31 meter onder de grond voert, waar ik in een rechte lijn naar Linkeroever kan fietsen.

Het lijkt nog kouder te zijn op de andere oever. Voor mij staan de sociale woonblokken als monsterlijke blokkendozen. Ik fiets tussen de gebouwen door, af en toe de hoogte inkijkend, schotelantennes tellend. Zelfs bij deze temperaturen hangt er wasgoed op de balkons buiten. Als ik bij de drie blokken kom die in C-formatie staan opgesteld, zie ik de enorme bouwput in hun midden. Drie kranen, ijzeren hekken om de modderstroom af te schermen en containers. Een scheur in de aarde die de bewoners nog verder van elkaar weg drijft.

Als ik met mijn fiets aan de hand een modderig paadje richting één van de blokkentorens bewandel, zie ik een kind van zijn step vallen. De jongen is ongeveer dertien jaar oud, maar schreeuwt luid om aandacht. Zijn broer komt aanhollen, waarna het slachtoffer om ijs vraagt. Hij klemt zijn handen om zijn knie, daar zal de blauwe plek verschijnen, waarschijnlijk niet eens zo heel groot. Ik loop verder door naar de ingang die feestelijk is versierd met kerstmannen en wintertekeningen. Vlakbij het portaal zet ik mijn fiets op slot.

Het is even zoeken, maar dan heb ik het systeem in de woontorens door. Eerst moet ik het huisnummer van meneer V.H. op de brievenbus vinden, waar het correspondeert met een code voor de deurbel. Nr. 1/89 wordt zo B09. Elke toren blijkt opgedeeld te zijn in tien verticale stroken – A tot en met J -, waarbij elke strook vijftien verdiepingen telt. P.V.H. woonde dus negen hoog, in de tweede strook van links te tellen. Zo vind ik zijn deurbel en bel ik onder en boven zijn naam aan. Niemand geeft gehoor aan mijn gebel dus probeer ik het bij de twee namen op B07 en B11. Pas dan wordt me duidelijk dat ik bij de verkeerde mensen zit, zij wonen immers één of twee hoog boven of onder P. Ik moet bij nummers A09 en C09 die op dezelfde gang wonen zijn.

Bij de vijfde buurman, op A09, heb ik beet en kraakt de intercom. Ik leg uit wie ik ben, wat ik kom doen, en vraag naar meneer V.H.

‘Geen idee, meneer’, hoor ik. ‘Wij hadden geen contact met elkaar. Hij had nog wel een zus die af en toe op bezoek kwam. Cynthia heette ze, geloof ik.’

‘Weet u hoe ik ze kan bereiken?’

‘Dan moet u maar eens bij de politie horen.’ Het gesprek is afgerond. Als ik de inkomhal verlaat zijn de twee jongens weg. Voor ik de straat uitrijd om weer de voetgangerstunnel in te duiken, neem ik nog enkele foto’s van de hoogbouw, voor Joke van Leeuwen die een gedicht zal schrijven. Thuis zal ik naar de Firma mailen dat er nog ergens een zus rondloopt van P., maar zeker weten we dat niet. En het is al zaterdag, dinsdag is de uitvaart. Een waterkans dat Cynthia nog gevonden wordt. Tenslotte ligt meneer V.H. al een maand in het mortuarium en er heeft niemand naar hem gevraagd.

 

Ik ben drie kwartier te vroeg op begraafplaats Schoonselhof. Na het debacle met de trams die maar niet wilden komen bij de laatste uitvaart ben ik op tijd vertrokken, en kan ik stampvoetend van de kou de perken bezoeken. Nog even de rijen graven op W1 aflopend, namen tellend en verbinden aan de dichter die een gedicht voor hem of haar schreef. De plantjes purperen heide, zoals ik er nu opnieuw drie potjes van bij heb, zijn allemaal stuk gevroren. De gravers planten ze ook maar zelden in de grond, en als ze het doen is het met het plastic potje er nog aan.

De bestelwagen van de Firma stop voor W1 en ik verlaat het perk. Drager Davy is er.

‘Ik zie je vaak in de stad lopen’, zegt hij. ‘Woon je in het centrum?’

‘Ja.’ We schudden handen en ik leg uit waar ik woon.

‘Dan zijn we bijna buren’, zegt Davy. ‘De kist komt er zo aan.’

‘Joke van Leeuwen is de dichter vandaag.’

‘Ik dacht dat jullie gingen stoppen.’ Wat volgt is een opsomming van geruchten dat we zouden ophouden met De Eenzame Uitvaart. In de sector van uitvaartondernemers, crematoria, OCMW-diensten zijn we onderhand al bekend, en men meent dat het project is afgelopen. Ik stel hem gerust.

‘Ook in 2013 gaan we gewoon door.’ We praten over het nieuwe stadscollege dat zich bekend zal maken. Een nieuwe burgemeester, een nieuw bestuursakkoord, een nieuwe schepen van Sociale Zaken. Op het moment dat wij op Schoonselhof staan, stelt men nieuwe schepenen aan.

‘Hout vasthouden.’

‘Toch bizar dat er plots zoveel eenzame uitvaarten zijn’, zeg ik. ‘Drie deze week.’

‘Typisch voor het jaareinde’, antwoordt Davy. ‘En het aantal OCMW-uitvaarten blijft maar stijgen door de crisis. Van de zeven uitvaarten die we vandaag verzorgen, zijn er vijf van het OCMW bij.’ Hij vertelt over meneer V.H. die al een maand in het mortuarium ligt: ‘Ongelooflijk dat men dat niet heeft opgemerkt. Maar zij hebben dan ook zoveel koelcellen.’

‘Over welke aantallen gaat het dan?’

‘UZ Edegem niet zoveel als Middelheim, want die kunnen er zeker een twintigtal leggen’, zegt Davy. ‘Wij ook hoor. In ons filiaal in Aarstelaar toch zeker al een twaalftal.’ Met gepaste trots somt hij de capaciteiten op van de verschillende filialen van de firma. Ik zeg even naar de ingang te willen lopen want daar wacht Joke van Leeuwen me misschien op. Als ik de laan uitwandel draait de corbillard de begraafplaats op. Ik zie Joke staan, met de blik strak naar de ingang van Schoonselhof. Ik verwelkom haar, waarna we samen achter de corbillard naar perk W1 lopen, waar Davy met zijn twee collega’s een erehaag vormen. De kist gaat op de schouders en we betreden het perk. De balen stro liggen klaar op de aarde waar de volgende overledenen in moeten.

VOOR P.V.H. (1965-2012)

Immense kast vol mensen. U op de negende.
Zon, regen en een bouwput voor de deur.
Als lentekind geboren, die daar een herfstdood stierf.

Had u geen vat dan op een wereld die zo dwingen
kan dat u niet meer van zingen wist? Wat ging er mis
dat buren vreemden, deuren dicht? Er zijn er

zo veel met uw voornaam, achternaam. Ben ik
mijn broeders hoeder? De stad is vol van licht,
feest moet het wezen, zot doen, wolkjes adem lachen,

feest. De ingang van het flatgebouw dat u bewoonde
is versierd. Een kinderlijke sneeuwman. Wit.
Dit lot van wie hier mens geweest.

Joke leest luid en duidelijk naar de kist gericht, met een van mijn drie purperen heideplantjes op het deksel. Ik zie de kerstversiering op de deuren van het flatgebouw weer voor me, de lachende kerstman, de groene boom. Na het gedicht mogen we groeten en zien we hoe de kist wordt neergelaten. Het moet koud zijn aan de handen, de snijdende linten waarmee de dragers P. laten zakken in de bevroren grond. Als Joke en ik afscheid hebben genomen neem ik de tram naar ‘t Kiel om iets te eten in Grand Café Den Tir, een nieuwerwetse tearoom waar bejaarde vrouwen in grote bontjassen onophoudelijk binnen schuifelen. Na de lunch moet ik weer op pad, er zijn twee nieuwe eenzame uitvaarten aanstaande donderdag. Wat voor mensen de overledenen waren, is nu nog onduidelijk. Of ze lentekinderen waren, herfstmensen, of ze nog van zingen wisten.

Voor gedicht: Joke van Leeuwen
Voor verslag: Maarten Inghels