Mevrouw F.D.S. is op 4 april 1932 geboren te Aalst en in haar woonst overleden op 9 april 2013. Haar uitvaart vond plaats op 17 april 2013 op begraafplaats Schoonselhof.
Dichter van dienst was Lies Van Gasse.

Vanaf mijn huis is het maar een paar straten ver fietsen, hoogstens vijf minuten op de pedalen, en toch is het een wereld van verschil. De Paardenmarkt op, de Leien over, kort de Vondelstraat in naar Sint-Jansplein, de Sint-Gummarusstraat door, om linksaf de Dambruggestraat in te fietsen en vrijwel meteen aan de rechterhand de Van Kerckhovenstraat te vinden. Het zijn niet alleen de vele kleurrijke winkels die je een ander universum in trekken, de koffiesalons, maar ook de luid toeterende auto’s waarvan de bestuurders soms plots beslissen om in het midden van de straat de motor uit te schakelen, de raampjes open te draaien, of een tapijt door de kofferruimte op de achterbank willen trekken.
De Van Kerckhovenstraat is niet anders. Veel mensen op straat, sommige Marokkaanse mannen klusteren een tijdlang samen in een groepje op het trottoir, iemand vertrekt, een ander komt erbij, voortdurend verandert de samenstelling van vorm en gezicht, terwijl vier Marokkaanse vrouwen op een bankje verderop sfynxen uitbeelden, met de slippen van hun hoofddoeken wiegend in de wind.
Ik hang mijn fiets vast aan een boom voor de middelste van de drie grote woonblokken, waarvan ik weet dat mevrouw F.D.S. er haar laatste dagen sleet. Renée van de Firma kondigde het zo aan: ‘Het is weer een tijdje geleden, sinds februari, maar er is een nieuwe eenzame uitvaart. Volgens het Sociaal Centrum is er geen familie bekend.’ Ik loop naar de uiterst rechtse ingang van de middelste woonblok waar ik al meteen op een Marokkaanse man bots, die een soort witte wikkelrok draag. Ik vraag hem of hij toevallig mevrouw F.D.S heeft gekend, wie niet waagt, wint niets, de woonblok torent met zijn tientallen appartementen dan wel hoog uit, maar je weet nooit. De man wijst druk op de deurbellen, krijgt dan telefoon en loopt luid roepend met zijn mobieltje tegen het oor gedrukt de inkomhal weer uit.
Ik bel aan bij het belletje naast dat van mevrouw F.D.S., dat van de buurman vermoed ik, en ik heb geluk. De man is thuis en wil me te woord staan. De intercom doet het wel niet naar behoren, zeg ik, er komt veel lawaai van de trappenhallen en buiten, ik hoor hem haast niet. Hij gebiedt me naar boven te komen, negende verdieping. Omdat de lift niet meteen komt, besluit ik de trappen te nemen, wat ik onmiddelijk betreur als ik de afgebladderde muren zie en met mijn lange benen met moeite over het braaksel op de trappen tussen verdieping 7 en 8 kan stappen.
De buurman staat bovenaan de trap en steekt meteen van wal als ik op zijn verdieping sta. “Ze had nog een vriendin in één van de appartementen hiernaast. Met haar ging ze soms naar de markt, een koffietje drinken achteraf, ge kent dat wel. De dochter van die vriendin deed de andere boodschappen.” Hij heeft geen naam van de vriendin, geen huisnummer, en zelf zag hij mevrouw F.D.S. maar sporadisch op de gang. “Maar als ik de buren zie zal ik hen zeggen dat de uitvaart woensdag plaatsvindt.” Het is niet zeker of ze aanwezig zullen zijn, dus blijft het voorlopig een eenzame uitvaart.
Met deze karige informatie moet Lies Van Gasse het doen, denk ik als ik met grote sprongen op de trappen weer afdaal naar de uitgang. Ik steek een sigaret op om de nare geur die zich in mijn neus heeft genesteld, te verdoezelen.

Vrijwel meteen als ik begraafplaats Schoonselhof opstap, volgt een zwarte wagen die zich parkeert naast het bankje waar ik me neerzet. Twee van de vier inzittenden stappen uit om een sigaret te roken, beiden in trainingpak. Wat later sukkelt een oude dame van de achterbank op de graskant, en ook zij steekt een sigaret op. Zouden het de buren zijn?
Lies komt met de fiets aan, haar jas vooraan in het mandje. Het is mooi lenteweer, de zon gaat zodadelijk doorbreken, dat voorspellen we. Het kale hoofd van de ceremonieleider is onbekend, ik heb hem nog nooit bij een eenzame uitvaart gezien.
“Ik leid het filiaal van de Firma in Bornem, maar af en toe steek ik een handje toe in Antwerpen.” We praten over het wedervaren van de eenzame uitvaarten.
“Vorige week moest ik een pasgeboren kindje begraven”, zegt hij. “Om tien uur waren enkel de grootouders in het auditorium aanwezig. Geen ouders, niemand anders te zien. Om twintig na tien nog altijd niemand. Half elf, idem.
Ik kreeg een telefoonnummer van die grootouders, van het café waar ze dikwijls zaten. Ik bel die cafébaas op. Maar meneer, zegt die, start alstublieft met die uitvaart, de ouders zitten hier in het café, volledig onder de drugs, daar is geen land mee te bezeilen.
Die ouders waren dus niet op de begrafenis van hun pasgeboren kind!”, verzucht de kale ceremonieleider.
De achterdeur van de zwarte wagen gaat open, en de vierde persoon stapt uit. Een kleine dame op sportschoenen komt naar ons toegelopen.
“Ik heb F.D.S. nog gekend”, zegt ze. “Ik deed boodschappen voor haar.” De andere mevrouw op de achterbank is haar tante, zegt ze, die heeft mevrouw ook nog gekend. En haar moeder was de buurvrouw die met F.D.S. naar de markt ging. Maar die is verhinderd, die ligt in het ziekenhuis.
“Ze heeft nog een zoon en twee dochters’, zegt ze verontwaardigd. ‘Maar die willen geen contact meer, die willen zelfs niet naar de begrafenis komen.” Er is dus toch nog familie denk ik.
“Maar wat goed dat u toch bent gekomen”, antwoordt de ceremonieleider. Ik leg mevrouw uit dat er een dichter aanwezig is met een voor de gelegenheid geschreven gedicht voor F.D.S., en of dat mag worden voorgedragen. Ze is in de war en knikt ja en nee tegelijk, het is allemaal goed voor haar, ze wil hier niet zijn om mevrouw F.D.S. te begraven, ze wil gewoon weer boodschappen voor haar doen, naar haar appartement lopen met zware tassen.

Om vijf voor twaalf staan we bij perk W1. De vrouw en de man in trainingpak blijven in de zwarte wagen zitten, de kleine en de oudere dame stappen voorzichtig uit. Hun verhaal gaat onverstoord verder, tot aan de kist op schragen, vaak in onafgewerkte, hakkelende zinnen, die getuigen van een ontevredenheid met de dood. De ceremonieleider brengt hen tot rust met zalvende woorden, dat we dankbaar moeten zijn voor wat we van de overledene kregen, en dat de dichter een woord van afscheid heeft voorbereid. Ik kijk naar beneden tijdens haar voordracht, en zie verfdruppels op de schoenen van Lies. Ze moet zo meteen weer gaan lesgeven aan kinderen, weet ik, tekenles.

Wanneer de nacht onder het ijs komt,
het gras door krokussen gescheiden,
wanneer als een blok een lichaam

en wanneer,
geschranst als een plat akkoord,
de wanden, het staketsel,

wanneer een zacht gewicht,
als in overmacht, en wanneer
ondergesneeuwd, een hand zo schraal,

dan nemen wij er twee
en houden vast.

Op een berm van graven
bent u woordloos ontstaan.

Zwijgend gaan wij onder.

Lies leest haar gedicht snel en zacht voor, met de twee dames naar haar toegebogen. Als haar laatste woorden voor mevrouw F.D.S. zijn uitgesproken, gaat de verontwaardiging van de twee dames in een hogere versnelling. De ceremonieleider doet teken dat ze mogen groeten. Er gaan bloemen op de kist, een kruisteken wordt geslagen, en dan trippelen ze het perk weer af. Lies en ik blijven staan tot we de kist in de kuil zien zakken. Zwijgend.

Voor verslag: Maarten Inghels
Voor gedicht: Lies Van Gasse