Meneer J.D. is in Antwerpen geboren op 19 september 1950 en daar thuis overleden op 9 april 2013. Zijn uitvaart vond plaats op woensdag 8 mei 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Geen dichter van dienst.

Mevrouw A.H. is op 28 februari 1928 geboren te Zele en in haar woonst in Berchem overleden op 31 januari 2013. Haar uitvaart vond plaats op woensdag 8 mei 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Joke van Leeuwen.

Vijf witte rozen en een palmblad, met een reepje aluminiumfolie aan de steeltjes bij elkaar gehouden, bungelen in mijn hand wanneer ik een half uur te vroeg begraafplaats Schoonselhof opstap. Er staat al een wagen van de Firma, met daarin de drager met rossig sluik haar, en de ronde, kleine man met het Waaslandse dialect aan het stuur. Ik sta voorovergebogen aan het open raampje aan zijn kant.
‘Ik kom voor mevrouw A.H.’ zeg ik, met de rozen wijzend naar de kist in de kofferruimte.
‘Nee, dit is meneer J.D.’ Eerst moet meneer J.D. nog de grond in, mevrouw A.H. zijn ze ondertussen nog aan het kisten. Meneer J.D. lag al twee maanden in de koelcel van ziekenhuis Stuivenberg. Het is onduidelijk waarom er zoveel tijd overging eer de uitvaart kon plaatsnemen, zegt de kleinste drager. Renée heeft ook geen melding gemaakt van de uitvaart van meneer J.D.
De lucht trekt donker samen.
‘Ik denk dat je collega’s aan het wachten zijn tot het begint te regenen’, merk ik op. Hij moet lachen. Zijn collega stapt uit om een overjas uit de achterruimte van de corbillard te halen. Ik gluur langs de gordijntjes naar de kist met meneer J.D. Aan de zijkant van de wagen zitten nog ouderwetse zilverkleurige ornamenten.
‘Ze zullen er binnen vijf minuten zijn’, zegt de kleinste terwijl hij uitstapt. Ik sta aan de stoeprand te kijken naar een Canadese gans die in de borders tussen de uitbloeiende paasbloemen scharrelt. Het is een groot en log beest, dat ons even aankijkt en zich dan weer naar de grond richt.
Ik zie het klein appartementje waar mevrouw A.H. woonde weer voor me, in een straat ingesloten tussen twee spoorwegen vlakbij het station van Berchem. Toen ik voor haar deur stond, vloog een sportvliegtuigje op van het nabijgelegen vliegveld van Deurne. Het scheerde laag over de huizen waardoor ik de vleugels kon zien trillen. Als ik weer voor me uitkeek, zag ik de afgebladderde gevel, het vuilnis in de gemeenschappelijke trappenhal en de brievenbussen dichtgekleefd met zwarte tape. Voor het raam op een bovenverdieping stond nog een plant, maar de meeste appartementen in deze drie verdiepingen tellende blokken vertoonden geen teken van leven. Op het gelijkvloers kon ik een kamer binnenkijken. Een gelige matras op de vloer, een kabel die uit de muur was getrokken. Mevrouw A.H. woonde één hoog, maar daar waren de gordijnen gesloten. Vergeefs heb ik alle deurbellen ingedrukt, maar nergens kreeg ik gehoor. Op het naamplaatje van mevrouw A.H. stond ook de naam van meneer of mevrouw De Winter, maar volgens de burgerlijke stand is ze ongehuwd gebleven, en er was verder geen familie bekend. Een koppel met twee kinderen fietste rinkelend voorbij, maar verder was er niemand te zien.
Mevrouw A.H. werd hier op 31 januari door de politie aangetroffen. Aangezien er twijfel was over de doodsoorzaak, werd het parket ingeschakeld. Die brachten het lichaam over naar het UZ Edegem waar het meer dan drie maanden in de koelcel werd bewaard. Al op 5 februari gaf het parket het lichaam weer vrij, en kon worden overgegaan tot begraving, maar het duurde tot de laatste week van april vooraleer deze opdracht werd doorgegeven aan OCMW Antwerpen. Waarom die opdracht zo lang op zich heeft laten wachten, is voor Renée een raadsel, schrijft ze. Ze sluit haar mail af met: ‘Etienne zal er terug bij zijn.’ Die had namelijk last van zijn rug en lag een tijdlang buiten strijd.
De gans trippelt gakkend weg als een tweede lijkwagen de begraafplaats opdraait.
‘Een prachtig dier’, zegt de drager, waarna hij weer in de corbillard stapt en met zijn collega’s naar perk W1 rijdt. Ik besluit ook de uitvaart van meneer J.D. bij te wonen, aangezien er geen familie of vrienden opduiken. Er is dan wel geen gedicht, ik heb de vijf witte rozen voor mevrouw A.H. nog. Zij krijgt het gedicht, hij haar rozen – zo zullen ze naast elkaar liggen.
Etienne en Dennis stappen uit de tweede lijkwagen en meneer J.D. wordt op de schouders van de dragers gehesen en naar het perk gedragen. Hun armen broederlijk in elkaar gehaakt, hun oren tegen de kist. Bij wijze van rustpunt en om de rolluiktouwen door de handvatten te steken, wordt de kist even op de schragen geplaatst. Dennis vraagt aan de grafmaker of die thuis een zonnebank heeft staan omdat hij zo bruin ziet.
‘Ik werk buiten, en ik moet geen lange zwarte jas zoals jullie dragen’, antwoordt die.
‘Waarschijnlijk heb je daarjuist een schep zand tegen je gezicht gekregen’, zegt Etienne. De dragers lachen en heffen de kist gelijkmatig op. Er is door de grafmakers een gat gegraven waar drie kisten in kunnen, waarmee ook het einde van deze rij op het perk is bereikt. Morgen moet een nieuwe rij opengespit worden. De vijf dragers en de gebruinde grafmaker staan rond de kuil en buigen het bovenlichaam. Ik volg met mijn hoofd, een klein knikje voor meneer J.D.
Later zal ik per mail van Renée te weten komen dat meneer J.D. gescheiden was, maar nog vier kinderen had. Aangezien zijzelf kort met vakantie was, hadden haar collega’s deze uitvaart geregeld. Zij gingen er van uit dat de kinderen de begrafenis van meneer J.D. zouden bijwonen.

Bij het verlaten van het perk zie ik aan de ingang in de verte iemand staan.
‘Is dat Joke?’ vraag ik aan Etienne. Hij plaatst zijn hand boven zijn ogen.
‘Nee, dat is een man, die naast zijn auto staat. Maar op het bankje zit nog iemand, met een groene paraplu.’
Joke ziet me aankomen en trekt haar groene paraplu weer dicht. Ik voel nog geen regen, maar ik kan fout zitten. Ik leg uit dat ik al op het perk was, en ongepland de uitvaart van meneer J.D. heb bijgewoond. We wandelen naar perk W1 waar Dennis alvast het houten bordje met de naam van mevrouw A.H. op naar de kuil brengt.
‘Kunnen we?’ vraagt Etienne.
‘We zijn compleet, denk ik’, antwoord ik. Nu gaat de kist van mevrouw A.H. op dezelfde schouders. Ik denk aan de autopsie die haar lichaam heeft ondergaan. Bij Renée had ik nog gepolst of er uitsluitsel was over de doodsoorzaak, of ik mocht weten aan wat mevrouw juist gestorven was. Maar inzage in de papieren was niet mogelijk, zei Renée, die waren verzegeld. Ook zij mogen van niets weten. Hier gaat mevrouw A.H., gestorven aan iets, nu wonende in het niets.

Voor A.H.

U bent gevonden en het was te laat.
U bent gevonden en u bent verloren.
Niemand mag horen wat er is gebeurd
of niet gebeurd. De informatie, heet het,
is verzegeld. Een trein reed dichtbij door,
een vliegtuigje steeg op. De wereld lijkt
door uw vertrek niet in het minst

ontregeld. We strooien woorden op
de aarde. Onvermogen ligt daar nu.
Verglijden. Een tijdelijke woning had u
in een lege straat. U bent gevonden.
Maar te laat.

Joke leest luid en krachtig haar gedicht voor. De dragers luisteren aandachtig. Ik ben diep in gedachten verzonken, en schrik op wanneer de dragers, met de kist tussen hen in aan touwen bungelend, vragen of mijn rozen op de kist mogen blijven liggen. Ja, doe maar, zeg ik, tot ik besef dat ze best boven de grond mogen blijven. Onder de grond heeft weinig zin. Ik was van plan de bloemen bij meneer J.D. te leggen, maar door de grappenmakerij bij zijn korte ceremonie ben ik ze vergeten. Te laat, alles is te laat, mevrouw A.H. wordt al neergelegd naast meneer J.D.
Als we afscheid hebben genomen van de dragers onder de roze bloesemboom, die met elke windstoot zijn bloemblaadjes verliest, wandelen Joke en ik naar de uitgang. We zwijgen lang en horen alleen de kikkers luid kwaken in de sloot. Ik moet denken aan het vliegtuigje dat een figurantenrol had in Joke’s gedicht. Ik had haar helemaal niets verteld over het vliegtuigje met trillende vleugels, helemaal niets.
De lift die ze aanbiedt, sla ik af. Ook al begint het hevig te regenen.

Voor gedicht: Joke van Leeuwen
Voor verslag: Maarten Inghels