Meneer G.B. is op 9 mei 1936 geboren te Antwerpen en daar thuis overleden op 6 mei 2013. Zijn uitvaart vond plaats in de vroege ochtend van 22 mei 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Ik ga in op het aanbod van Stijn om in zijn auto te wachten tot de uitvaart van meneer G.B. van start gaat.
‘Hier is het warmer’, zegt hij terwijl ik me op de achterbank wurm. Het barre lenteweer houdt al een tijdlang aan – men spreekt van de slechtste lente in veertig jaar.
‘Echt begrafenisweer’, zegt Stijn terwijl hij de radio stiller draait.
Zoals de eskimo’s volgens de geruchten duizenden woorden zouden hebben voor sneeuw, hebben wij er beslist een aantal voor regen. Ik overloop in mijn hoofd de woorden die mijn dialect of taal beschikbaar stelt om het over regen te hebben. Duveltjeskermis, oude wijven, pijpestelen regen, een vlaag, miezeren, motregen, ’t zevert… Teleurstellend kom ik maar op een zevental woorden. 
Ik vertel Stijn over de buurvrouw van meneer G.B., die na twee keer aanbellen via de intercom antwoordde. Haar hond kefte luid op de achtergrond, wat deels haar antwoorden overstemde. Ze wilde me te woord staan, en even later ging de voordeur open. Ze had een grijze trui met vlekken aan, die ooit wit moet zijn geweest, en op haar kin en wangen zag ik stoppels wit haar, zeg ik tegen Stijn, als van een baard die om de week wordt getrimd. Ik gaf mijn plaatsvervangende schaamte voor dit troosteloze en marginale tafereel toe.
‘Hoe lang was de baard?’ vraagt Stijn.
‘Ongeveer zo lang als die van mij’, antwoord ik.
‘Je weet nooit of zoiets door onverschilligheid komt, of dat ze het gewoonweg niet ziét.’ Nadat ik mijn moed bij de buurvrouw herwonnen had, vroeg ik haar uit over meneer G.B., maar ze wist enkel te vertellen dat hij ‘nogal ziekelijk was’ en ‘slecht te been’. Er was nog een zeker Jeanine, een kennis van in het café, die af en toe bij hem op bezoek kwam – meer kon ze niet vertellen. Ik hoorde haar hond op de bovenverdieping verontwaardigd blaffen.
‘Dat zie je vaak bij mensen die het niet zo breed hebben,’ zegt Stijn. ‘Zelfs al is het een extra mond om te voederen, nemen ze toch die hond.’
‘Die oordeelt niet wanneer je er tegen praat.’

Ik had afscheid genomen van de buurvrouw en me geëxcuseerd voor haar tijd die ik in beslag had genomen.
Bij nummer 79, het huis van meneer G.B. belde ik ook aan, en na lang wachten deed een man met een Aziatisch uiterlijk de deur open. Hij kwam recht uit zijn bed, dat zag ik zo. Een nachtbaantje, gokte ik. Nederlands of Engels was hij niet machtig, maar mits wat gebarentaal van zijn kant kon hij verstaanbaar maken dat meneer G.B. in het kamertje op de gelijkvloers had gewoond. Hij wees de deur in de trappengang aan, de gordijnen aan de straatkant waren gesloten. Van buitenaf leek het een erg kleine kamer, maar dat is niet zo verwonderlijk in deze buurt, op een boogscheut van ziekenhuis Stuivenberg in Antwerpen Noord, waar je niet bepaald de chiqueste villa’s tegenkomt.
Zacht motregende het. Ik maakte mijn fiets los van de boom voor het huis van meneer G.B., en besloot het café te zoeken waar vriendin Jeanine misschien aan een koffietje zat. Ik zag alleen een gesloten voetbalcafé dat eerder op een verdacht gokkantoor leek. Het begon harder te regenen, waardoor ik besloot weer naar huis te keren.
‘Maar ook zonder het verhaal van de buurvrouw en het café was ik al aan het gedicht begonnen’, zegt Stijn. Een lijkwagen komt Schoonselhof opgereden. We zijn compleet. Ik open de autodeur op een kier en steek vragend mijn duim op naar Etienne die in de auto zit. Hij wijst naar de brede laan, richting perk W1 – we kunnen meteen doorrijden.
Onderweg naar het perk neem ik alvast mijn drie rozen in de hand, en onderdruk ik een geeuw vanwege het vroege uur. De dragers staan te dralen bij de open kofferruimte van de corbillard, kijken elkaar aan alsof ze zich ervan willen vergewissen dat het de juiste kist is.
‘Het is nogal een zware’, zegt Etienne als hij op me toestapt om een hand te geven. De dragers schuiven de kist een eind uit de wagen en heffen hem dan met veel moeite op de schouders. Halverwege het pad naar het perk wankelen de vier dragers, lijkt de zware kist te gaan schuiven, maar er gebeurt niets. Hun grip is stevig. De aarde op perk W1 is verzopen, er staan grote plassen tussen de graven.
De kist van de schouders naar de schragen verplaatsen is nog een hachelijk manoeuvre, even lijkt het mis te lopen, maar dan ligt de zware meneer G.B. stil. Mijn drie rozen gaan op het deksel, alsook een bloemstukje met lint.
‘Vrienden van Pimpelhof’, leest Etienne van het lint voor. ‘Een dame van in de zeventig heeft dit besteld. Zelf kon ze niet komen.’
‘Pimpelhof is waarschijnlijk het café dat ik niet vond’, zeg ik. ‘Het café van Jeanine.’ Thuis zal ik ‘Pimpelhof’ googelen, en inderdaad, het café ligt in een dwarsstraat. Op een website lees ik: “Gezellige sfeer met toffe muziek in een bruine kroeg waar het altijd feest is. In de wintermaanden speciaal op zaterdagen open voor mensen met koude voeten vanaf 14u.”
Altijd feest, en bloemen als je dood bent.
Etienne doet teken dat de dienst kan beginnen.

Niet iets

Ik weet het zeker, misschien is wat ons
de ene dag niet en de andere plots wel doet bestaan,

misschien is wat ons uit stof opwaait
tot wat we bij voldoende zichtbaarheid elkaar noemen,

misschien is wat licht geen tijd geeft,
tijd geen ruimte en ons geen kans zonder droom,

misschien is alles wat ons een leven lang optilt
boven de put die deze bol is

niet iets om zomaar te geloven.

Stijn leest luid voor, met de benen in spreidstand voor de kist. Halverwege zijn gedicht gaat er een gsm af van één van de grafmakers, een luid technodeuntje, waardoor de graver wegloopt van de kuil.
‘Dan kunnen we nu, samen, groeten’, zegt Etienne. Stijn, Etienne en ik gaan in een halve maan rond de kist staan en buigen het bovenlichaam. Nadat de dragers met veel moeite de kist aan rolluiktouwen in de kuil laten zakken – met een bonk raakt de kist de bodem – lopen ze handenschuddend naar ons toe. Davy en Dennis laten hun roodverbrande vingers aan me zien, waar het touw in heeft gesneden. ‘Die was zwaar’, schudt Davy het hoofd.
Ik schud hun pijnlijke handen en neem afscheid. Stijn wil me een lift geven naar het centrum, dus mag ik weer op de achterbank, net achter de bijzitterszetel waar nu een gloednieuw kinderzitje gemonteerd staat – nog geen drie weken in gebruik. Ik feliciteer hem met het mooie nieuws. Een nieuw licht dat zijn huis is binnengeglipt, een klein hoopje leven, waar hij nu naar terugkeert, na een ochtend van regen en dood.

Voor gedicht: Stijn Vranken
Voor verslag: Maarten Inghels