Meneer H.B. is geboren op 21 april 1946 in Antwerpen en in ziekenhuis Jan Palfijn overleden op 10 juni 2013. Zijn uitvaart vond plaats op 8 juli 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Maarten Inghels.

In het hart van de wijk Luchtbal, niet eens zo ver van de woonst van meneer J.S. van eenzame uitvaart nr. 41, woonde meneer H.B. In één van de zes woontorens die 18 verdiepingen tellen, betrok hij een appartement. Ze zijn genummerd, hij woonde in toren nummer vijf. Via internet stuitte ik op een artikel waarin de bewoners klagen dat de lift regelmatig stuk is, en de oudere bewoners op die manier soms dagenlang opgesloten zitten, hoog en droog.
Meneer H.B. had een appartement op de elfde verdieping, blijkt als ik een van de bewoners aan de voet van de torenflat aanspreek. Zij toont me bij welke bel ik moet zijn om de naaste buren te kunnen spreken.
‘Ik kom voor meneer H.B. die een eenzame begrafenis zal krijgen, misschien heeft u hem bij toeval nog gekend?’ De dame moet even nadenken, er waren recent twee overlijdens in deze flat. Ja, zegt ze, die van de elfde verdieping, ik herinner mij hem.
‘Maar nee, ik ken hem niet,’ vervolgt ze. ‘Niet persoonlijk alleszins. Ik woon op de tweede verdieping, ziet u. Maar Yamila, die moet u hebben, zij kent iedereen.’ We bellen aan bij Yamila maar ze is niet thuis.
‘Mag ik bij u mijn telefoonnummer achterlaten, mocht u of Yamilla nog iets te binnen schieten over meneer H.B.? Zodat we de uitvaart persoonlijker kunnen maken?’
‘Hij hield van katten. Elke dag liep hij naar beneden om alle katten uit de buurt eten te geven.’ Ze vertelt over het garagehok in de voet van de toren waar hij enkele zakken met brokken had staan en er de zwerfkatten voedsel gaf. ‘Elke avond zat hij ze allemaal te strelen. Ze kwamen van ver op hem af.’
‘Dat is een mooi verhaal.’
‘In de zomer’, zegt de dame en ze wijst, ‘dan zat hij daar op het muurtje voor de school. Dan kon hij in de zon zitten als hij de katten eten gaf.’ Ook nu schijnt de zon hard, maar het muurtje is leeg.
‘Bedankt’, zeg ik terwijl ik een papiertje met mijn telefoonnummer overhandig. Noch Yamila, noch zij, zullen me opbellen, maar dat weet ik nog niet op dat moment. Nu moet er een gedicht geschreven worden, voor meneer H.B. die van katten hield en vier weken geleden stierf.
Thuis vind ik nog een artikel over een ongeluk met een vuurpijl en een brand op de twaalfde verdieping in één van de torenflats, en wil daar over schrijven, dat je zo’n uitstekend zicht moet hebben op vuurwerk en de skyline van de stad, maar dat je ook een opgesloten gevoel kan hebben daarboven. Maar ik houd het uiteindelijk bij de katten, de tientallen poezen van meneer H.B. Het wordt een gedicht over het evenwicht dat katten zoeken tussen boven en beneden, net zoals meneer H.B. elke dag van zijn toren afdaalde, en nu definitief onder de grond verdwijnt.

 

De uitvaart van meneer H.B. vindt een uur na die van meneer J.S. plaats, en ondertussen is het alweer een paar graden warmer geworden. Het wordt een snikhete dag. Als ik bij perk W1 aankom, vind ik mijn drie witte rozen niet meer die ik had klaargelegd bij een dikke boom. Als ik het navraag bij een van de plantsoenwerkers blijkt dat ze de bloemen al klaar hebben gelegd naast de kuil. Drager Dennis gaat ook alvast het houten bordje van meneer H.B. in de hoop opgegraven aarde zetten.
Om twee minuten voor elf zetten we de dienst in gang. Kist op schouders, kist op schragen, en Xavier die teken doet. Het konijn is niet meer te zien. Ik vertel over de kattenliefde van meneer H.B, zijn buurvrouw, de elfde verdieping.

ELFDE HEMEL

Reeds vier weken zijn ze in de war.
Ze kronkelen rond de woontorens, betonrot
en lijnzaadolie, waar uw geur ook nog hangt.

Met tientallen janken de katten krols
om wat niet meer komt; een schoteltje
melk, een kilogram brokken, uw hand

die zowel zilverrug als kortharige streelt.
Het garagehok is vandaag alleen nog maar
bezem en emmer waard. Niemand kwam

nog op bezoek, daar in uw elfde hemel.
Vanaf hoog in de wolken vertrok u vorige
maand een laatste keer naar de grond.

Kreeg kopjes van vrouwenvachten, gespin
waar je van opkeek, jaloers op de staart
als evenwichtsorgaan, tussen boven en beneden.

 

Voor gedicht & verslag: Maarten Inghels