Mevrouw M.K. is geboren op 24 augustus 1918 in Rusland en in woonzorgcentrum Sint-Anna in Berchem overleden op 18 september 2013. Haar uitvaart vond plaats op dinsdag 24 september 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Het zijn de gouden dagen op Schoonselhof. Nu de boombladeren langzaam geel kleuren, om zich uiteindelijk vermoeid op de aarde te storten, werpt de zon een gouden licht op de begraafplaats. De eerste verdorde bladeren knisperen onder mijn voetzolen. Nog even en de stortbuien zullen alles herleiden tot een bruine pap.
Ik wandel via het kasteeltje met zijn vijver, langs de werken aan het nieuwe columbarium dat binnen een maand open moet, en benader het crematorium langs de achterzijde, waar de twee dragers Xavier en Dennis opzij van hun corbillard een sigaret staan te roken. Naast hun ivoorkleurige lijkwagen staat er nog een van de concurrent in de kleur bordeaux.
‘Zo eentje mogen ze voor mij reserveren’, zeg ik, wijzend naar de opvallende kleur.
‘Het is de enige bordeaux corbillard die in Antwerpen rondrijdt.’ Dennis en Xavier vertellen dat het rustig is. Veel meer crematies dan vroeger, waardoor de drie extra dragers thuis moeten blijven.
‘Doe mij ook maar een crematie’, zegt Dennis stellig. ‘En dan, hop, de zee in.’
‘Een zeemansgraf?’
‘Niet dat ik een matroos ben, maar ik zie de zee graag.’
Xavier beaamt. Ook hij wil een crematie als het zover is, maar dan zonder de zee.
‘Ken je dat afscheidsgedicht van die Nederlandse dichteres, Mireille Hugaert? Het is een tekst uit ons mapje waar we wel eens naar teruggrijpen bij uitvaarten.’
‘Nee.’ Ik wist dat Phil Bosmans wel eens wordt voorgedragen, maar Mireille Hugaert ken ik niet.
Dennis draagt het uit het blote hoofd voor. Het gaat over herinneringen aan de overledene creëren, zonder dat je daarvoor een steen of bloemetje nodig hebt.
‘Ik heb zelf ook nog veel gedichten geschreven. Honderden, toen ik zestien, zeventien jaar was. Meestal schreef ik ze tussen één en vier uur ’s nachts.’
‘En? Heb je ze onlangs nog eens gelezen?’
‘Nee’, hij lacht. ‘Dat waren heel depressieve gedichten. Over doodgaan en de wereld die naar de verdommenis ging. Als ik het niet vergeet, zal ik de gedichten eens meenemen.’
Maar vandaag zijn we hier met een gedicht voor mevrouw M.K. Ze draagt een voor ons vreemde Russische naam, die ze al met zich meedraagt van bij haar geboorte in Rusland in 1918, net na de Oktoberrevolutie. Op een dag is ze in Antwerpen beland, en volgens ons bevolkingsregister nooit gehuwd. Ze overleed een kleine week geleden in woonzorgcentrum Sint-Anna in Berchem, waar de bewoners volgens de aanbiedingsbrochure op de website een ‘eigen lavabo hebben op de kamer’, en ‘sommigen een eigen toilet’. Als ik net voor het weekend de hoofdverpleegster aan de lijn krijg, belooft deze dat een van haar collega’s morgen terug zal bellen, met verhalen over mevrouw M.K. De volgende dag blijft de telefoon stil. Er gaan drie dagen voorbij, en op de dag voor de uitvaart probeer ik nog een keer. Nu moet ik mijn mailadres opgeven, waarna ze een ingescand tekstje opsturen.

Alexis was je dikste vriend
op 4 poten liep hij rond,
je hebt er zo van genoten,
hij was de beste hond
wind en koud kregen je niet klein
winter en zomer je raam moest open zijn.
Een eitje bij het ontbijt
het hoorde zo elke dag
was het er niet bij dan had je spijt
omdat je dit zo graag mag.
Je dekentjes en sjaaltjes kon je niet missen,
ook de jongeren die je kwamen bezoeken
gaven je veel vreugd. Rust nu maar
daar boven, je mag het best geloven
we gaan je hier missen.

Het blijkt een gedicht op rijm te zijn, dat de verpleegster waarschijnlijk samen met enkele bewoners heeft opgesteld. Een hond, Alexis, speelde een belangrijke rol in het leven van mevrouw M.K. En ze hield van een eitje elke morgen. Wars van literaire intenties is het een ontroerende getuigenis. Ik beloof het ook op de uitvaart te zullen voorlezen, naast het gedicht dat de dichter geschreven heeft.
Vandaag is het de beurt aan Stijn Vranken. In blauw hemd en beige broek, komt hij uit zijn wagen. We hebben nog tien minuten voor de klok drie uur slaat, het officiële tijdstip voor de uitvaart, en hoewel we voltallig zijn, besluiten we te wachten tot de grote wijzer zich volledig opgericht heeft. Het is een warme dag geworden, wat zowel de twee dragers, als Stijn en ik niet hadden verwacht, en de drie witte roosjes in mijn hand laten hun kopjes al een beetje hangen.
Klokslag drie begeven we ons in een langzame tred achter de corbillard naar de tweede strooiweide. Xavier buigt voor de open, grote kofferruimte, om dan de urn met beide handen voor zich uit naar de strooiweide te dragen. Eens de urn en de roosjes op de sokkel liggen, mag ik beginnen met het gedicht dat de rusthuisbewoners voor mevrouw M.K. hebben geschreven. Als de laatste woorden zijn uitgestorven, is het de beurt aan Stijn.

Nooit zullen wij gaan liggen,
hoe stil wij ook weten te vallen,
de werkelijkheid woedt steeds verder
door ons heen. Voortdurend

worden wij herschikt, onze adem
herverdeeld, de ene waarheid herstemd
tot de volgende – een einde is iets
wat alleen mensen zich in het hoofd halen.

Nooit zullen wij gaan liggen – kijk,
daar staat de wind al tegen een boom
te wachten.

Vooruit, de dans staat vast,
daar helpt geen sterven aan.

Dennis zegt dat we op onze eigen manier afscheid mogen nemen van mevrouw M.K. Hij gaat voor, dan groet Stijn de urn, ik sluit af. Xavier haalt mevrouw M.K. van de sokkel, loopt het gras op en kromt zijn rug.

Voor gedicht: Stijn Vranken
Voor verslag: Maarten Inghels