Mevrouw N.D. is geboren op 4 augustus 1936 te Oostnieuwkerke en in het Middelheimziekenhuis te Antwerpen overleden op 27 oktober 2013. Haar uitvaart vond plaats op dinsdag 5 november 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Max Temmerman.

Op de uitvaart van mevrouw N.D. valt de regen als een dik paardendeken op de aarde, onze hoofden, de kist, en ook ’s nachts houdt het niet op, net als de volgende dag wanneer het stug blijft verder regenen. Het is een koude novemberregen waarvoor je wil binnenblijven. En toch zeg ik tegen Etienne dat we achter de corbillard zullen lopen, terwijl hij een lift met de wagen naar het perk voorstelt. Dus stap ik achter de brommende lijkwagen, half onder de paraplu van dichter Max Temmerman, half onder die van Etienne, terwijl het water langs mijn wangen naar beneden loopt.
‘Misschien had ik toch een minder kleurrijk exemplaar moeten uitkiezen’, fluistert Max. Hij kijkt naar de felgekleurde regenboogvoering van zijn paraplu. Die van Etienne is een model in groter formaat en pekzwart. Terwijl we langzaam de dreef inlopen, passeren we een groep kerkhoflopers die een rondleiding langs funerair erfgoed krijgen. Enkele mensen in een rolstoel, een paar duwers, een koploper kijken ons na – in dikke jassen of plastic vuilniszakken. Dit is zelfs geen weer om een hond door te jagen.
Achter ons volgt een kleine auto met een man en een vrouw in. Buren van mevrouw N.D. die ik die ochtend nog heb ontmoet. Het is fijn dat ze zich niet door de regen hebben laten tegenhouden. Mevrouw N.D. woonde buiten de ring van Antwerpen, in wat nog Borgerhout is, vlak bij Te Boelaarpark. Ik zag een school en een Waterkundig Laboratorium. Een levendige wijk.
Toen ik een willekeurige deurbel indrukte ging het raam op de eerste verdieping open en hing een vrouwenhoofd over de vensterbank. Ze had bezoek, zei ze, en wist niets over mevrouw N.D. Ik moest nog hoger proberen, op het vierde, die buurvrouw deed de boodschappen. Er waren maar zes deurbellen en zes brievenbussen, terwijl mevrouw N.D. bij bus zeven hoorde. Nergens vond ik haar naam terug. Wel die van haar naaste buurvrouw. Ook zij stak haar hoofd uit het raam, al was het hare van die afstand maar een nikkeltje groot en riep ik mij boven het verkeer uit.
Ik begrijp dat ze een erg goede relatie met elkaar hadden, de buurvrouw en mevrouw N.D. Er was maar een gang over te steken, twee deuren door. Samen boodschappen doen, verhalen vertellen, een leven delen. Haar mond trekt samen wanneer ik vertel wat we op de uitvaart zullen doen; afscheid nemen met de laatste woorden van een dichter. Ze knikt bevestigend, meer is er niet te zeggen.
Van Cathy van de Firma weet ik dat er nog twee zussen zijn. Eén waarmee geen contact was sinds jaren, en één die dementerend is en verblijft in een rusthuis te Wingene. Ze zullen niet aanwezig zijn. De uitvaart is een onderonsje tussen de dragers, Max, ik, de treurende buurvrouw en haar man.
De corbillard voor ons houdt halt, en ook de wagen van de buren achter ons parkeert zich in de berm. Ik kijk niet om, en denk aan de woorden van Max die eerder in de week in de wijk van mevrouw N.D. was gaan wandelen: “Haar buurt is chique en duur en in orde. Overal affiches achter de ramen, pompoenen op vensterbanken en uitnodigende bankjes voor de huizen. Zo’n buurt waar de ontmoeting centraal staat… en net in zo’n buurt wonen eenzame mensen.”
Wanneer de kist uit de wagen wordt geladen, krijgt de buurvrouw het moeilijk. Ze huilt en zegt dat ze het niet kan. Ze kan het zompige perk niet op, ze wil het niet. Haar man neemt haar hand vast, en Etienne doet teken toch te volgen. Iedereen had het moeten zien, ook de zus die niet wilde komen, hoe Etienne in de onophoudelijke plenzende regen de ruiker van de buurvrouw en mijn drie witte rozen op de natte kist legt, en voor het karige gezelschap meedeelt dat we nu afscheid nemen van een gedeeld leven met enkele woorden van de dichter.

Als vanouds

Vanmorgen nog liep ik door de straat
waar u woonde. Het zonlicht schuin
door de bomen, invalswegen door de stad
als messen door boter. Ik kan me vergissen
maar er leek me niet veel veranderd sinds u –

Ik zag een man lopen, voortgetrokken
door een loensende hond. Een jongetje
blokkeerde het voetpad met een zelf
opgetrokken fort van fiets, voetbal
en springtouw. Geen mens kon nog passeren
maar dat leek niemand te irriteren.

De deur van Taverne Erasmus stond open.
Een magere vrouw schrobde de vloer en stuurde
een waterval van schuim en aangekoekte praat
over de blauwe steen tot onder mijn voeten.

In een wingerd rond een schutting hoorde ik
drie draagbare transistorradio’s die klonken
als slecht afgestemde duiven. Verder weg
zoemde de Ring en boven de daken
maakten vliegtuigen zich klaar om te dalen,
om grond te raken.

Alles ging als vanouds. Als kleine dingen veranderen,
bijvoorbeeld leeftijd, dan zijn het minieme accenten
in een doorlopende tekst waarvan de grote lijnen
onveranderd blijven.

Alleen u. Aanstonds bent u er niet meer bij.
Nemen wij onze hoed in onze handen.
Vandaag nemen wij afscheid.

De buurvrouw en haar man gaan dicht bij Max staan, mee onder zijn kleurrijke paraplu, om te luisteren naar wat er nog moet worden uitgesproken voor mevrouw N.D. Na afloop vouwt Max het natte A-viertje dicht en overhandigt het aan de buurvrouw die dankbaar knikt. Meer zullen we niet zeggen. Er is nog de buiging voor de kist, waarna ik weer in de graskant ga staan. De buurvrouw loopt aan de hand van haar man het perk weer uit, naar hun auto als beschutting, maar ik blijf staan, wil mevrouw N.D. zien zakken in de donkere, verzopen grond.