Meneer B.M. is geboren op 28 juni 1953 te Temse en in het Stuivenbergziekenhuis te Antwerpen overleden op 1 november 2013. Zijn uitvaart vond plaats op dinsdag 12 november 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Peter Theunynck.

De zus van meneer B.M. en ik hebben één gemeenschappelijke vriend op Facebook. Haar profielfoto is een spookhuis met opvliegende vleermuizen, en in het verleden gebruikte ze een foto van zwarte piet, een foto van haar hond, een prentje van een rouwlint met ‘Nederland rouwt om Ruben en Julian’, een rouwprentje voor de slachtoffers van de busramp in 2012, een foto van drie honden, en een foto van haar kanarie. Ze speelt Pet Rescue Saga, Farm Heroes Saga en Smoothie Swipe. Met enkele muisklikken weet ik al veel over de zus, maar nog niets over meneer B.M. Hij zat niet op Facebook.

De six degrees of separation-theorie stelt dat twee willekeurige personen op aarde via slechts vijf andere personen aan elkaar verbonden zijn. Met meneer B.M. was ik nog maar drie stappen verwijderd van een ontmoeting. Dat zal niet meer lukken; meneer B.M. overleed op 1 november, Allerheiligen, in zijn sociale flat achter bibliotheek Permeke en krijgt een eenzame uitvaart. Zijn zus wenst niet gecontacteerd te worden voor de uitvaart. Zij vindt op Facebook de pagina ‘Gedichten, gedachten, gevoelens’ leuk, dus vermoed ik dat ze ook wel fijn zal vinden dat er een dichter nog iets zegt op de teraardebestelling van haar broer.
Wat er tussen broer en zus fout is gelopen, hoef ik niet te weten. Wat vast staat is dat meneer B.M., onze drie stappen van verwijdering terzijde, niet echt veel andere verbindingen had met mensen uit zijn omgeving. Ik ben langs de sociale flats geweest, een grijze betonblok achter de bibliotheek, en enkele deurbellen ingeduwd. Eén iemand gaf gehoor, maar gaf door de krakende intercom te verstaan niets te weten over haar buurman.
Enkele dagen later, in het weekend, ga ik terug. Nu zijn er wat meer mensen thuis. De ene wil me niet verder te woord staan, een ander belooft naar beneden te komen:
‘Hij is dood, ja. Weet u wanneer ze zijn spullen komen halen? Alles staat nog in zijn appartement!’ De buurman ruik niet zo heel fris, naar meer dan even niet gewassen, ik zet een stap naar achter, waarop hij weer dichterbij komt. Hij heeft een oog dat in een hoek is weggedraaid, zie ik, hij zal me niet goed kunnen zien. Ik vraag of hij meneer M.B. heeft gekend.
‘Nee, nee. Ze zijn vorig weekend komen vertellen dat hij dood was. Meer weet ik niet. Zijn spullen staan hier nog wel.’ Ik weet niets over de spullen van meneer M.B.; zijn fauteuil, tafel, stoelen, televisie – waar het allemaal naartoe moet. Hij was getrouwd en alweer gescheiden. Geen kinderen op de wereld gezet.

Op dinsdag 12 november miezert het hard. Het is al een week bijna onophoudelijk aan het regenen, die regen is begonnen met de dood van meneer M.B. en zal pas ophouden de dag na zijn uitvaart. Peter Theunynck staat onder de luifel van het wachthuisje te schuilen als ik met drie witte rozen de begraafplaats betreed. Een corbillard van de Firma draait stationair in de dreef, Xavier en Etienne voorin.
‘We hoeven niet langer te wachten,’ zegt Etienne tien minuten voor aanvang, waarna we met ons drie achter de lijkwagen naar het perk stappen. Het blijft lange tijd stil tot Etienne weer het woord neemt: ‘De directeur van de begraafplaats is er ook bij. En zie je die mevrouw met de paraplu aan het perk staan? Dat is controle. Dus het kan maar beter goed verlopen.’
‘Wij volgen jullie, zoals gewoonlijk’, zeg ik geruststellend. ‘Het is wel Peter zijn eerste keer als dichter hier.’
‘Kan jij het dan niet doen? Met meer ervaring? En misschien twee in plaats van één gedicht voorlezen?’
Ik weet niet of Etienne het al lachend bedoelt. Ik zeg dat ik vertrouwen heb in Peter Theunynck – hij gaat dat uitstekend doen, het laatste woord nemen voor meneer B.M. En hij doet dat ook. De eenzame uitvaart van meneer B.M. verloopt vlekkeloos, nadat we eerst de handen van de directeur van de begraafplaats, Hendrik, en de mevrouw van de controle hebben geschud, naar de kuil zijn gestapt, achter die schommelende boot.

VAARWEL B.M.

Je woonde op een boogscheut van Permeke.
Maar in geen boek staat je verhaal te lezen.

Geen buur die zich je naam herinnert. Alleen een regel
in het Rijksregister bevestigt je bestaan.

Op de brug van Temse brak het water van je moeder.
Een ziekenbroeder sloot in Stuivenberg je ogen.

Daartussen: eindeloos veel wit, zoals tussen de regels
van een gedicht of zoals de toendra in de winter:

de sneeuw heeft alle sporen uitgewist.
Wat kan het stil zijn onder deze stolp van veren.

Wanneer het dooit, zal er van alles boven water komen:
een pas, een schoolrapport, een fiets misschien,

de foto van de vrouw die je verliet,
je zakmes, je zonnebril, je ziekenboekje.

Je kwam ter wereld op een zondag, bijna zomer.
Er was geen wolkje aan de lucht. Er stond een zachte bries.

In de rietkraag, bij de Scheldeoever, werd gezoend.
Uit een transistorradiootje klonk ‘We’ll meet again’ van Vera Lynn.

Veel zon en zoenen zaten er voor jou niet in.
En niemand hunkerde om je terug te zien.

Op 1 november ben je dan maar stil vertrokken.
Je moet nu al een heel eind opgeschoten zijn.

Misschien voel je je beter thuis daarginds. Misschien
dat je daar onverschrokken metselt aan een nieuw begin.

We buigen in volgorde: Etienne doet voor, de directeur van de begraafplaats, de mevrouw van de controle, Peter en ikzelf. Eens de kist in de kuil ligt, verlaten de dragers het perk, slaan het houtstof van hun schouders, rijden weg. We blijven nog even staan kijken naar de kuil, de andere graven, praten zacht over wat we net hebben gezien, tot de graafmachine over de betonnen platen dichterbij komt gerold om alles dicht te scheppen.
Van de directeur krijgen we nog koffie in het Kasteeltje van de begraafplaats. De mevrouw van de controle, Peter en ik krijgen een uitleg over de geplande restauratie van het pand, meer bepaald van de oude plafondtekeningen uit de negentiende eeuw die de vrouw des huizes maakte. Met onze hoofden in onze nek zien we schilderijen van aapjes, vogels, honden en de jacht.
‘Nog iemand koffie?’ vraagt de directeur. ‘We hebben wel geen koffiekoeken.’