Meneer L.D.L. is geboren op 18 januari 1936 te Viersel en in het Stuivenbergziekenhuis te Antwerpen overleden op 14 november 2013. Zijn uitvaart vond plaats op dinsdag 26 november 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Stijn Vranken.

Woninglijken, hoor ik op de radio. De presentator kondigt het volgende item aan met de term ‘woninglijken’. Een vrouw uit Rotterdam had tien jaar lang dood in haar woning gelegen. De gemeenschappelijke verontwaardiging was groot.

Nederlandse wethouders werden geïnterviewd, buren verhoord, de dochter van op de rug gefilmd voor de deur. In de studio van het Vlaamse radioprogramma is een sociologe uitgenodigd die het geheel moet duiden. Woninglijken en eenzaamheid.

Er komen nog twee verhalen voorbij, in een opbod aan gruwelijkheid. In een huis in Anderlecht werd enkele dagen geleden het zwaar toegetakelde lijk van een man gevonden, met zijn hoofd, benen en armen afgekloofd tot op het bot. Wat eerst een verschrikkelijke moord leek, blijkt na onderzoek het werk van zijn vier hongerige hondjes te zijn. De 67-jarige man was drie weken daarvoor een gruwelijke dood gestorven, waarna de kleine hondjes zich aan het stoffelijk overschot tegoed deden.
In Antwerpen verzorgden we eerder dit jaar de uitvaart van de ‘rattenman’, zoals hij door de kranten werd genoemd, waarbij we de bevestiging kregen dat ratten een neus hebben voor afval. Maar dit zijn hondjes, onze huisdieren, de grote mensenvrienden – die voor een spuitje naar het asiel worden gebracht. Er staan foto’s van de honden bij de krantenartikels. Ze zitten in een kooi naast een kom brokken, twee bruine en twee zwartgevlekte witte, met grote ogen kijken ze in de lens.
Het was het tweede schokkende verhaal uit Anderlecht die week. Eerder had de politie een 69-jarige vrouw in haar woning aangetroffen, met het gemummificeerde lichaam van haar man in bed. Bijna een jaar lang sliep ze naast hem, alsof er niets aan de hand was. Tegen de buren hield ze vol dat haar man een tijd weg was voor een behandeling. In de keuken lag het kadaver van hun hond. De verwarde echtgenote betaalde al een jaar niet meer de huur, waarna een onderzoek werd opgestart en men haar verborgen schat ontdekte.
De wetsdokter is niet verbaasd, tekent de krant op: ‘Het zijn mensen met ernstige fysieke problemen, of oude mensen die dement zijn. Bij sommigen dringt het niet door dat de ander dood is. Andere weigeren dan weer de ander als dood te zien, een beetje zoals een zwangerschapsontkenning.’ Verderop linkt de krant foto’s van de gemummificeerde man. Dat beeld wil ik zo snel mogelijk vergeten.
Telefonisch geef ik in de radio-uitzending kort tekst en uitleg bij het werk van de dichters, die in actie komen wanneer er zo’n woninglijk is. In 2013 verzorgden we bijna dubbel zoveel uitvaarten dan voorgaande jaren, zeg ik. Binnen enkele uren begraven we de achttiende. Maar een verklaring daarvoor hebben we niet. De term ‘onopgemerkte overledene’ komt uit de mond van de presentator, voor wat wij een eenzame uitvaart noemen. Meneer L.D.L. was ook zo’n onopgemerkte overledene. Wonende in een anonieme straat in Antwerpen Noord, net om de hoek van dichter Stijn Vranken, leefde hij een teruggetrokken bestaan. Stijn ging mee op onderzoek naar het leven van meneer L.D.L. Eerst een kop koffie bij hem thuis, dan een korte wandeling naar de eenvoudige appartementsblok met buitenissige namen op de deurbellen. Bij de meest directe buur van meneer L.D.L. hadden we prijs. De buurvrouw was aan het koken, had weinig tijd, liet ze door de intercom verstaan, maar ze wilde wel even tot beneden komen.

‘Ik woon hier nog maar zes maanden,’ zei ze. ‘En kende meneer nog niet zo goed. Maar ik heb de ambulance voor hem gebeld.’
‘Leefde hij toen nog?’ vroeg Stijn. Als antwoord draaide ze haar hand een paar keer heen en weer.
‘Half en half,’ zei ze daarbij. ‘Half en half dood.’
‘Waren er nog andere buren die hem gekend hebben?’
‘Dat denk ik niet,’ zei ze. ‘U ziet het aan de deurbellen; allemaal vreemde namen, allemaal vreemde talen.’ Zelf sprak ze ook met een mooi accent, maar ze verstond de taal van meneer L.D.L., er was contact. Met zijn typisch Vlaamse en archaïsch aandoende naam, was meneer L.D.L. een vreemde eend in deze buurt. Meer verhaal ophalen, konden we niet.

 

Twee uur na de radio-uitzending over onopgemerkte overledenen, ben ik op begraafplaats Schoonselhof. Etienne is stil, als we beide naast de corbillard staan te wachten op Stijn. Ik loop wat rondjes op het aanpalende grasveld. Het is bijna tijd om de motor van de lijkwagen weer in gang te trappen en ons richting perk W1 te begeven. Etienne loopt naar de ingang om op de uitkijk voor Stijn te staan, tuurt daar een hele tijd naar de voorbijrazende stroom auto’s, schudt zijn mouw herhaaldelijk omhoog om op zijn uurwerk te kijken. Enkele minuten voorbij het aanvangsuur, rijdt Stijn de begraafplaats op. Ik klim in zijn auto, Etienne geeft zachtmoedig een klopje op het dak van de corbillard en traag rijden we naar het perk.

Vier schouders, een naambord en een dichter – veel meer hebben we nu niet nodig.
Samen afscheid nemen van de heer L.D.L. die we niet hebben gekend, zegt Etienne, dat zullen we nu doen.

Wonder

Het duurt even, maar uiteindelijk raken we wel
gewend aan onszelf: het ritme onder onze ribben,
de richting van de aders, het blozen van de vingertoppen,
het heelal in het hoofd en zoveel

meer nog: de leegte in de keel zodra we ons vurig hebben
leren vergissen. Het langzaam branden van de gaten
in ons lot – ja, zelfs die warmte worden we gewoon.

Misschien is dat wel ons grootste gebrek: de gewenning
aan wat een wonder blijft,

een ongevraagd, onnozel en stilaan goddeloos wonder,
een samenloop van wat eeuwigheid en toeval,
maar net daarom des te meer een wonder.