Mevrouw M.B. is geboren op 10 april 1919 te Turnhout en in het woonzorgcentrum Home de Familie te Deurne overleden op 8 december 2013. Haar uitvaart vond plaats op vrijdag 13 december 2013 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Maarten Inghels.

Mevrouw M.B. zat in de immobiliën. Verkocht en verhuurde vakantiewoningen, vertelt de verpleegster van het woonzorgcentrum Home de Familie uit Deurne aan de telefoon. Het immokantoor bestaat nog steeds, onder de naam van haar man die al een hele poos overleden is.

Via internet vind ik de website van het kantoor, en lees dat de zoon nu in de vastgoedsector zit. Over die zoon heeft de verpleegster ook nog wat te zeggen. Stuurde zijn moeder meer dan tien jaar geleden het rusthuis in, waarna ze hem nooit meer hoorden. In tussentijd is er nog een kleindochter geboren, maar die kreeg mevrouw M.B. nooit te zien.
Mevrouw stond bekend als een sterke en lieve vrouw, die wel eens met de buurvrouw op de gang zong. ‘Edith Piaf, en die andere oude nummers.’ Daartegenover stond de mist in haar hoofd die de laatste jaren stevig optrok. Dementie, ja, ja, zegt de verpleegster. Op het einde van haar leven was ze vegetatief. ‘Een plantje.’ Dat zingen kon er ook niet meer af. Er waren oude bekenden uit haar geboortedorp Turnhout die nog elk jaar op Oudjaarsdag even kwamen kijken, maar de laatste jaren was er van echt contact geen sprake meer.
Ik besluit iets te schrijven over de rol van huizen in het leven van mevrouw M.B.; huizen die gevuld raken met mensen, huizen die leegstaan, tochtende huizen, de fundamenten van een mens die een leven lang standhouden, om dan af te brokkelen. Ooit geboren in Turnhout, met haar man in Antwerpen gaan wonen, om dan door haar zoon op het laatst in een rusthuis te worden geplaatst.

 

Een half uur voor de uitvaart draait er een wagen de begraafplaats op. Geen bezoek uit Turnhout, maar een van de verpleegsters die mevrouw M.B. verzorgden.
‘We proberen altijd voor afvaardiging te zorgen; iemand van de directie of het personeel.’ We besluiten samen met drager Dennis te wachten tot de kennissen uit Turnhout eventueel nog opduiken. Het is vrijdagochtend, negen uur, en een lange weg in de ochtendspits van Turnhout tot hier. We kunnen het best begrijpen dat ze niet komen, zeggen we.
‘Het is niet vaak meer dan dit,’ zegt de verpleegster. ‘Eén of twee mensen bij de uitvaart van onze bewoners.’
Ik denk aan wat eenzame uitvaart nr. 51 kon zijn. Een dienst om elf uur, van mevrouw B.C. uit een rusthuis in Borgerhout, waarvoor ik niet tijdig een dichter heb gevonden. Er was nog één neef in het spel – ‘de rest van de familie is uitgestorven’, verklaarde hij aan de telefoon – die bij de Firma speciaal om een dichter van ‘De eenzame uitvaart’ voor de uitvaart van zijn tante had verzocht. Als enige familielid sprak hij mevrouw B.C. één keer per jaar aan de telefoon, en zou hij aldus sprakeloos en alleen aan het graf staan. Helaas, geen dichter was beschikbaar. Maar de neef zal er zijn, dat belooft hij.
‘Het is niet gemakkelijk, maar we proberen toch steeds bij de uitvaart van onze bewoners te zijn,’ zegt de verpleegster van mevrouw M.B. tegen Dennis en mij.
‘Hoe lang kende u haar?’
‘Vier jaar. Ik werk al vier jaar voor het woonzorgcentrum. Maar sommige collega’s kenden haar al meer dan tien jaar.’
‘Dat schept een band.’
‘Ik werd nog gebeld om haar te wassen. Er was een Bulgaarse verpleegster van dienst, maar zij had zoiets nog nooit gedaan, had het er lastig mee. Dus ben ik meteen gekomen om mevrouw M.B. klaar te maken. Gemakkelijk is het niet, nee.’
Dennis maakt aanstalten om te vertrekken. Het is twee minuten voor negen, bezoek uit Turnhout sluiten we nu definitief uit. Met ons drieën lopen we achter de brommende wagen naar perk W1. Om daar het vertrouwde ritueel te houden: kist op schouders, drie rozen op het hout, gedicht aan het graf.

DE LAATSTE DEUR

Nieuwbouw in Turnhout; een flinke villa
op heidegrond, een pasgeboren kind
dat zich in het leven zet, boort, bouwt –
alsof u meteen aan het geluk was verkocht.

Ja, vierennegentig jaar lang mens geweest.
Ramen geteld, kamers bekleed, vele vloeren
opgeboend zodat u de vreugde spiegelen kon.
Vergeefs naar lekken in dit leven gezocht.

Ja, die zoon wilde niet meer mee aan de hand,
op zolder trok de mist prima met het geheugen op.
En plots vond een dokter die tochtgaten,
nam uw leven de grilligst denkbare bocht.

Ja, onze adem is het meest veelbelovende
fundament, tot ook deze stokt op de drempel
van de laatste deur. Op de muren de dood
klopt als optrekkend vocht – tot je verhuist.

We groeten. Dennis vraagt de verpleegster of ze wil wachten bij het zakken van de kist.
‘Sommige mensen hebben het daar moeilijk mee.’ Nee, antwoordt ze.
We blijven kijken naar de rolluiktouwen die onder de rug van de kist gaan, de schommelende boot naar de kuil wordt gedragen, mevrouw M.B. in de grond verdwijnt, de vochtige aarde, het laatste huis. De vijf dragers, met Dennis aan het voeteinde, buigen een laatste keer het hoofd naar het donkere gat.
Om exact tien na negen verlaten we het perk. Twaalf minuten.
‘Nummer 50. Een jubileum,’ zegt Dennis.
‘Zo zou ik het niet willen noemen,’ antwoord ik bij het schudden van zijn hand. ‘We zien elkaar in 2014.’ Dennis kijkt vertwijfeld.
‘Er kan nog veel gebeuren voor oudjaar, maar laat ons hopen,’ antwoordt hij. ‘Tot in 2014 dan.’
Dat we nog niet meteen aan het nieuwe jaar kunnen denken, merk ik bij het tikken van deze laatste zinnen en mijn mailbox een geluidje maakt. Nummer 51 klopt al op de deur.