Meneer P.S. is geboren op 3 april 1937 te Mechelen en in zijn woonst te Antwerpen gevonden op 20 maart 2014. Zijn begrafenis vond plaats op vrijdag 28 maart 2014 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Peter Theunynck.

Walter van de Firma doet melding van een woninglijk. Meneer P.S., 77 jaar, werd in verregaande staat van ontbinding in zijn woning gevonden. Het is onduidelijk hoe lang meneer daar al lag.
Meteen na de melding fiets ik in de zon naar het appartement van meneer P.S. Hij woonde op de bovenste verdieping van een flatgebouw dat uitkijkt op de Kloosterstraat – een buurt vol antiekzaken en hippe interieurwinkels. Tijdens weekenddagen loopt het hier vol dagjesmensen, vandaag is het kalm. Het is de buurjongen die de deur voor me open doet. Hij kent meneer P.S. ruim zes jaar, de tijd dat hij met z’n moeder naast hem woont. ‘Mijn moeder zou daarom graag de uitvaart bijwonen.’ Ik laat mijn contactgegevens bij hem achter en fiets weer naar huis.

Een dag later weet het OCMW te vertellen dat meneer nog een dochter heeft, maar die wenst niet gecontacteerd te worden. Van zijn broer Leo die in de buurt van Leuven woont, vinden ze de contactgegevens niet. Men geeft mij het nummer van Familiehulp mee. Tweewekelijks kwam er een poetsvrouw de woning van meneer P.S. op orde brengen.
‘Een speciale, ietwat vreemde man,’ weet de poetsvrouw. Ik vraag haar naar zijn beroep, wat meneer P.S. in zijn leven uitspookte. ‘Verzekeringsmaatschappij. Ik denk dat hij voor een verzekeringsmaatschappij werkte en nu met pensioen was.’

Twee dagen na de melding ben ik niet meer zo zeker van de verzekeringsmaatschappij. De buurvrouw belt me op en zegt dat meneer P.S. vroeger ‘een heel goede autotechnieker was’. Ze is nogal aangedaan door het feit dat meneer al enige dagen dood in het appartement naast haar lag – ze wil dan ook erg graag de uitvaart vrijdag bijwonen. ‘Kende u hem goed?’ vraag ik.
‘Alleen van de lift. Jaren geleden heb ik hem op een ongelukkige manier leren kennen. Ik kon niet anders dan hem aanspreken op zijn verwaarloosde kledij en lijfgeur, hij dronk toen ook heel erg veel. Ik had de indruk dat het nadien veel beter met hem ging. Nochtans was hij heel erg ziek, leed aan kanker, onderging verschillende operaties. Uiteindelijk is hij blijkbaar van de trap gevallen. Ik weet niet hoe lang hij daar lag, ik heb niets gehoord, ik had echt niets gehoord.’ Met die zinnen eindigt ons gesprek niet. Een uur nadat ik de telefoon heb ingelegd, belt de buurvrouw opnieuw:
‘Ik moet nog iets toevoegen aan ons gesprek van daarnet. Ik denk dat ik niet het juiste beeld van meneer P.S. heb geschetst. Ik vond hem eigenlijk een heel vriendelijke meneer die altijd optimistisch overkwam, ondanks zijn slepende ziekte. Iemand die niemand tot last was en nooit klaagde. Ik vond hem een moedig man. Ja, moedig.’ We nemen afscheid. ‘Tot vrijdag,’ zeg ik.

Drie dagen na de melding, een dag voor de uitvaart, krijgt het leven van meneer P.S. nog een staartje. Een buurman belt mij op om te informeren naar de uitvaart. ‘Zal er nog iets worden gezegd?’ Ik leg hem uit dat we in dit geval een dichter hebben ingeschakeld die iets persoonlijks voor meneer P.S. zal schrijven. De buurman biedt aan in de buurt te informeren naar mensen die meneer P.S. hebben gekend en de uitvaart willen bijwonen. ‘Ik zal langs het gemeenschapscentrum gaan, maar niets is zeker.’
Niets is zeker, ook niet wat we over meneer P.S. weten. Verzekeringsmakelaar of autotechnieker. Vrienden of geen vrienden. Vier dagen na de melding komen de buurman of mogelijke kennissen uit het gemeenschapscentrum niet opdagen voor de uitvaart. De buurvrouw en haar zoon zijn wel op post. ‘Ik vond het belangrijk hier te zijn,’ zegt ze. ‘Ook al kende ik hem niet goed.’ Peter Theunynck komt met zijn fiets aan, hij schreef een gedicht. En enkele minuten na het afgesproken aanvangsuur arriveert uitvaartondernemer Walter van de Nieuwe Firma met een lege lijkwagen.
‘Ik zal heel eerlijk met jullie zijn,’ verklaart hij omstandig. ‘We zullen iets later moeten beginnen want we wachten nog op de lijkwagen met meneer P.S.. Maar ik kan het uitleggen. In normale omstandigheden bewaren we een lijk op -4°. Maar omdat het lichaam van meneer P.S. al in ontbinding ging, iets vroeger dan eigenlijk nodig was, bewaarden we hem op -20° – een aanzienlijk verschil. Nu, om die reden paste meneer P.S. niet in een kist van gewoon formaat.’
Minutieus en met oog voor detail doet Walter zijn verhaal. Dat een lichaam in ontbinding meestal wordt begraven in een kist van groter formaat, wist ik al van de eerdere eenzame uitvaarten. Maar we hebben de kern van het verhaal nog niet bereikt, het eigenlijke probleem:
‘Nu hadden wij vanochtend geen kisten van groter formaat meer in het magazijn staan. Dus moesten wij met meneer P.S. eerst langs de Oude Firma rijden die ons, wonderwel volgens onze eigenste verbazing, dat kunnen we wel zeggen, uit de brand heeft geholpen met een grotere kist.’
Het verhaal van Walter duurde lang, het wachten was kort want daar is de lijkwagen met meneer P.S. in. De grote kist van de Oude Firma gaat op de vier schouders van de Nieuwe Firma, dan ligt meneer P.S. op schragen, dan in de grond.

WEINIG

Terwijl de lente alle ramen opengooit
en emmers zon uitgiet over de stoep,

terwijl narcissen lang en lenig in het gras
meedansen met de zuidenwind,

terwijl de buurman sleutelt aan de kleppen
van een roestbak en het oude hart

nog eens uit volle borst laat zingen,
terwijl de dame aan de overkant een dweiltje

slaat en goochelt met haar stofdoek,
terwijl het in de gang traag brieven sneeuwt,

lig jij beneden aan de trap. Stiller was je
nooit. Geen dochter die nog met je praat,

geen broer om pinten mee te drinken.
Je woonde afgelegen tussen iedereen.

Alleen die buurvrouw in de lift misschien
die naar je vroeg. Misschien was dat genoeg.

Wanneer Peter, de buurvrouw, haar zoon en ik het perk uitlopen, bedenken we samen dat de uitvaart nogal rommelig verliep. ‘Werpen we normaal niet nog een schep aarde in de kuil?’ vraagt Peter. Nee, zeg ik. Dat hebben we nog nooit gedaan. Maar het rituele groeten is wel uit de ceremonie geknipt, het buigen, en er is ook geen ceremonieleider die teken doet aan de dichter dat het zijn of haar beurt is. Het hele ritueel kan strakker. Alleen een gedicht, of een buurvrouw in de lift die naar de dode vroeg, drie witte rozen, is misschien niet genoeg. Dit vraagt om meer decorum. Ik stel voor om het verloop van de ceremonie te bespreken met Walter en zijn collega’s bij eenzame uitvaart nr. 56.