Meneer R.H. is geboren op 13 november 1947 te Wilrijk en in zijn woonst te Antwerpen overleden op 28 maart 2014. Zijn asuitstrooiing vond plaats op vrijdag 11 april 2014 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Lies Van Gasse.

Het is altijd verrassend als je via Google op een stukje verleden van de eenzaam overledene stuit. Meestal vind ik niet meer dan een stuk of wat genealogiewebsites met naamgenoten uit een andere eeuw, maar met meneer R.H. heb ik nog eens prijs.

De eerste, tweede en derde link verwijzen door naar een wielersite waarop alle prof- en amateurrenners in een gigantisch archief zijn opgeslagen. Meneer R.H. was een wielrenner voor één wedstrijd. Of beter; in één wedstrijd behaalde hij de top drie en een eeuwige vermelding in de klassementen.

1966. 2de in Nationaal Kampioenschap, Baan, Tandem, Amateurs, België, Rocourt (Liege), België.

Er staat een klein Belgisch vlaggetje bij het resultaat, om nog eens in de verf te zetten voor welk land hij die eer behaalde. Ik heb nog nooit gehoord van tandemwielrennen op de piste, maar op YouTube vind ik enkele fragmenten. De renners zitten met twee op een fiets en rijden rondjes op een binnenbaan – eenvoudiger kon ik het niet bedenken.
Meneer R.H. was negentien toen hij voorop of achterop met iemand op de fiets zat en tweede werd in het Nationaal Kampioenschap baanwielrennen met de tandem in Luik. Zijn kompaan van toen is ook te vinden in het wielerarchief, meneer J.P., die ook nooit een ander resultaat haalde dan die tweede plaats in het Nationaal Kampioenschap.

Zouden de jonge mannen daarna nog samen op de fiets hebben gezeten, getraind in de straten van Wilrijk, twee jongens op één fiets, nieuwe pogingen wagend voor andere kampioenschappen? Hielden ze in de jaren daarna nog contact?
Bij wie stond de trofee? Of was het een wisselbeker? Kregen ze er allebei één?
Ook het huis van meneer R.H. biedt geen antwoorden op deze vragen. Hij woonde in een van de drie hoge flattorens aan het Kielpark. Ik heb voor zijn brievenbus gestaan, onder de honderden ramen van de toren, maar het was onmogelijk om van zijn huisnummer af te lezen op welke verdieping hij woonde, en bij welk nummer zijn buren hoorden. Ik heb niemand kunnen spreken.
In het dossier dat het OCMW over meneer R.H. heeft opgesteld staat ook niet veel geschreven. Hij had een poetshulp en thuisverpleging tot zijn beschikking, maar was sinds 2002 niet meer in begeleiding bij het OCMW. In de verslagen wordt hij beschreven als een eenzaat met ingewikkeld ziektebeeld. Wielrennen op de tandem had hij blijkbaar ingeruild voor het eenzame ziektebed.
Meneer R.H. wordt op vrijdag uitgestrooid in een mager lentezonnetje. Dichter Lies Van Gasse schreef een gedicht; ‘een ode aan het baanwielrennen’ liet ze de nacht voor de uitvaart per sms weten. Om twee minuten voor twaalf rijdt de corbillard van de Nieuwe Firma voor, vijf minuten later zijn we het perk al uit. Lies leest haar gedicht, meneer R.H. wordt in enkele zwaaien uitgestrooid, waarna we een laatste groet brengen aan de stofplek in het gras. Mijn drie witte rozen leg ik aan zijn voeten die nooit meer op de pedalen staan.

Voor R.H.

U bent nauwelijks twintig:
gladde banen, geboend parket,
versnellende cirkels, twee bij twee.

Uw leven speelt met kilometers,
synchrone ritmes van vier benen.
Uw tred, maar ook uw lichaam stijgt

en dan de jaren, wit van stof,
bedelven de vloed van uw banen.
Grijs blijft u achter in een huis
en sluit welwillend de ogen.

De grond van uw kamer gaat om en rond.
Er klinkt een licht dat de ramen verduistert.

In uw fiets draait een roepende hond,
maar u bent teder.