Meneer M.R. is geboren op 14 augustus 1949 te Kapellen en in zijn woning te Antwerpen overleden op 23 april 2014. Zijn asuitstrooiing vond plaats op maandag 5 mei 2014 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Stijn Vranken.

De buren weten niets of zijn niet thuis. Meneer M.R. woonde in een kleine studio met hoge zoldering temidden van dure lofts, in een zijstraat van het Museum voor Schone Kunsten op Antwerpen Zuid. Een dure, hippe buurt. Een gezette buurman met de telefoon in zijn hand verwijst me door naar de huisbaas – zelf is hij haast nooit thuis, ‘het is uitzonderlijk dat u me hier treft’.

Enkele huizen verder bel ik aan bij de huisbaas. Hij spreekt van een vriendin van meneer M.R. die hij in de supermarkt ontmoette. Misschien wil zij de uitvaart bijwonen, hij zal het haar vragen wanneer ze elkaar opnieuw ontmoeten tussen de groenten en het fruit. Er waren geen klachten over meneer M.R. – altijd stipt met het huurgeld.

Nochtans had de huisbaas de kleine studio wel afgeraden bij meneer M.R. Zijn bril staat op het puntje van zijn neus, zijn ogen priemen boven het montuur wanneer hij spreekt.

‘Een veel te lange trap om daar te komen en meneer R.H. was nagenoeg blind. Een genetisch overgedragen ziekte waaraan zijn vader en reeds overleden broer ook leden.’

Over die broer valt nog wat te vertellen. Ik controleer bij de huisbaas of het klopt wat ik over hem heb gevonden, is het echt zijn broer. Er zijn Facebookpagina’s, YouTube-filmpjes, een digitaal archief.

‘Ja, zijn broer was een bekende muzikant. Groot in het buitenland, in Amerika. Soulmuziek met een vleugje jazz. Al overleden in de jaren ’90 aan leukemie. Maar toen boterde het al niet tussen de broers. Meneer M.R. had wel best wel wat problemen met zijn familie. U hebt net zijn zoon gemist, hij kwam de papieren in orde brengen. Het contact met zijn vader was al twintig jaar verbroken. Hij wijst de erfenis af en wil er niets mee te maken hebben. Ik kan u zijn telefoonnummer geven.’

‘Nee, als de zoon er niet van wil weten, kunnen we dat maar beter respecteren,’ antwoord ik. ‘We kunnen de dichter iets laten schrijven over meneer M.R. met uw bevindingen.’

‘Ik weet van zijn zoon dat hij vroeger een echte topverkoper van auto’s was. Maar vanwege zijn opkomende blindheid is hij daarmee gestopt en op invaliditeitsuitkering gegaan. Hij was ook muzikant, autodidact, en fotografeerde veel.’

‘Even artistiek als zijn broer.’

‘Een man van het kunstenaarstype, ja’, zegt de huisbaas. ‘Maar hij vereenzaamde heel erg. Hij pleegde uiteindelijk zelfmoord.’

 

 

Stijn Vranken snort de parking voor het crematorium op in zijn lichtoranje Citroen CX uit 1978, een opgeblonken oldtimer die nog niet klaar is voor het autokerkhof. De binnenkant is volledig afgewerkt met tapijt, velours, pluche – een doodskist op wielen. Ceremonieleider Rik en zijn collega drager arriveren in een niet minder stijlvolle zwarte corbillard. Het is druk op het Schoonselhof, groepen rouwenden wandelen af- en aan, maar de vriendin van meneer M.R. is niet te bekennen.

‘De strooiweide waarnaar we meneer M.R. wilden brengen is bezet’, zegt Rik. ‘We kunnen een eindje verder wandelen tot de achterste strooiweide. Er zijn namelijk twee van de vier weides open.’

‘En de andere twee,’ vraag ik.

‘Die zijn gesloten. Die liggen braak.’

‘Zoals het drieslagstelsel in de landbouw.’

‘Inderdaad. De as moet composteren.’

Achter de lijkwagen aan wandelen we naar de strooiweide ‘Westen’.

‘Nee, het ligt niet in de juiste windrichting,’ zegt Rik.

De urne met as wordt de borders opgedragen, op de sokkel geplaatst, met vier gaan we eromheen staan.

‘We zijn hier samengekomen om meneer M.R. opnieuw aan de aarde toe te vertrouwen’, leidt Rik de ceremonie in.

Er is verwarring: mij was doorgegeven dat de overledene met de voornaam W heette, en niet M. Volgens de papieren heet meneer wel degelijk M.R., terwijl de weinige sporen op het internet spreken van meneer W.R.

Maar wat doet zijn naam ertoe, in dit laatste uur op de Westenweide die niet in het Westen ligt?

Rik gaat verder: ‘Bij een asuitstrooiing hebben we de natuur een handje geholpen. Het vuur en de aarde komen nu bij elkaar.’ Hij doet teken aan Stijn die mag overgaan tot de lezing van het gedicht.

ook ik, niet meer

niet meer dan een handvol
onverwachte dagen, enkele flitsen
van licht op een gevoelig lichaam,

een zelfportret met open mond, een
compositie van huid en adem, snakkend
naar wat eeuwigheid zo nu en dan

een ongevraagde vorm van gemis
op ware grootte, een hachelijk beeld,
het geluid van iets dat vervaagt

nog voor het volledig verschijnt.