Meneer L.G. is geboren op 24 augustus te Antwerpen en in zijn woning te Antwerpen overleden op 23 april 2014. Zijn asuitstrooiing vond plaats op woensdag 14 mei 2014 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Maarten Inghels.

Er lijkt eindelijk een einde te komen aan de voorjaarsbuien wanneer de uitvaart van meneer L.G. aanvangt. De lucht trekt blauw open, slechts bevolkt door enkele schapenwolken die weerspiegelen in de laatste plassen op de grond. De corbillard rijdt voor en achter het grote koffergedeelte van de lijkwagen duikt drager Rik op, met naast hem een man in een polohemd.

‘Dit is de zoon.’

Dit hadden we niet verwacht. De Firma wist dat meneer L.G. nog een zoon en dochter had, maar het contact was al zo’n twintig jaar verbroken. De kinderen hadden te kennen gegeven niets te willen weten over de uitvaart.

‘En ik ben op het laatste moment van gedachten veranderd,’ verklaart de zoon. Hij legt met weinig woorden uit dat hij hier eigenlijk niet wil zijn, maar het toch doet.

Vandaag herschrijven we de geschiedenis van dit gezin niet, we brengen alleen een punt aan bij het verhaal van meneer L.G. De zoon vindt het goed dat er nog een dichter is die iets zegt ‘maar het had niet gehoeven’.

Meneer L.G. is bij weinigen bekend, maar hij heeft de geschiedenis gehaald. Via internet vind ik een uittreksel van het Belgisch Staatsblad waarin plechtstatig staat beschreven dat onder andere meneer L.G. op 14 september 1997 ‘bij Koninklijk besluit door het ministerie van tewerkstelling en arbeid een Gouden Palm der Kroonorde werd toegekend na 45 jaar arbeid’.

Hij was een harde werker, dat is blijkbaar bekend. Had een lange staat van dienst. Onderaan staat dat de gelukkigen vanaf 8 april 1997 hun rang in de orde innemen. Dat wil zeggen dat meneer L.G. in 1952 is beginnen werken, op zesjarige leeftijd. Dat lijkt me sterk.

Ik kan het de zoon niet vragen – die is stil en houdt zich afzijdig. Dat blijft hij de hele tijd, tot na de uitvaart.

Eretekens

Daar op het bed trek je opeens blauw weg,
bewaak je in gedachten wat je hebt bemind,
geheimen die stil als stenen in je knellen.

Tel je de eretekens voor sport en vaderland,
stel je gewonnen bekers en medailles tentoon,
in het uur waarin je adem zich rustend legt?

Nee, je voelt alleen de wroeging, het gepieker en
de besognes die zich onzichtbaar op je borst hebben
gehecht. Ridderlijk draag je jezelf tot aan de meet.

Ja, je prikt met je vingers in de littekens als prijzen
op je lijf gespeld, en voelt hoe noest je hebt gewerkt.
Onderscheidingen van je onvoorwaardelijke bestaan.

De zoon maakt in zijn gebaren duidelijk dat hij weinig eretekens voor zijn vader overheeft, maar halverwege de lezing kan ik het gedicht niet over een andere boeg gooien. Hij zegt het nogmaals als we afscheid nemen: ‘een dichter bij de uitvaart van mijn vader had niet gehoeven’.

Meneer L.G. kreeg een ereteken omdat hij werd ‘onderscheiden en beloond omdat hij zijn kennis, zijn talent, zijn toewijding, zijn vaardigheid en zijn ideaal ten dienste van de arbeid heeft gesteld’. 45 jaren noest in dienst, een leven van prijzen en geheimen.