Meneer F.D.V. werd op 17 april 1953 geboren in Leuven en overleed daar in woonzorgcentrum Edouard Remy op 27 februari 2015. Hij verbleef er ruim tien jaar, als Korsakovpatiënt. Zijn asuitstrooiing vond plaats op woensdag 4 maart 2015 op de stadsbegraafplaats van Leuven. Dichter van dienst was Peter Mangel Schots.


“Hij lachte graag.” Het is het eerste wat maatschappelijk werkster Gerda te binnen schiet wanneer ik haar vraag of zij me al iets over meneer F.D.V. kan vertellen. Dat is, aan het einde van ons telefoongesprek, een hoopgevende gedachte. Om meer over de man te weten te komen kan ik lansgaan in woonzorgcentrum Edouard Remy aan de Frederik Lintsstraat in hartje Leuven.

Meneer F.D.V. is de eerste eenzame uitvaart in Leuven waarbij een dichter aanwezig is. Voortaan zullen we ook hier, net als dat in Antwerpen gebeurt, met een drietal collega’s eenzame overledenen met een gedicht naar hun laatste rustplaats begeleiden.

Edouard Remy is een ouderwetse mastodont met drie blokken en zes verdiepingen. De administratie is net verhuisd naar een nieuw gebouw, binnenkort volgen ook de bewoners. Meneer F.D.V. zal het niet meer meemaken. Hij verbleef in blok B, op de vierde verdieping, in een kamer die uitzicht gaf op wat groen, een universiteitsgebouw en een ander rusthuis, moderner van snit. Het is dinsdagmiddag en de kamer is helemaal leeg, op een rekje na. Ik kijk door het raam en vraag aan verpleegster Nena of hier de zetel van meneer F.D.V. stond. Neen, zegt ze, hij had geen zetel op zijn kamer. Hij tuurde vaak door het raam, maar altijd staand. Ze doet het me voor, de handen op de rug. En dan verlaten we de kamer weer, die moet worden klaargemaakt voor een nieuwe bewoner. De wereld staat niet stil, de zorgverlening al helemaal niet.

“F. lachte inderdaad graag”, bevestigt Nena. “Hij had geen tanden meer, dus het zag er wat komisch uit. Zijn lach klonk ook apart, het had wat weg van brommen. Spreken kon hij niet meer, maar hij luisterde en observeerde graag en hield van grappen. Met zijn mimiek kon hij zich nog goed uitdrukken.”

Meneer F.D.V. was 61 jaar toen hij overleed en verbleef al sinds 2004 in Remy. Toen was hij dus amper 50, dat is opmerkelijk. Ik vraag naar de reden en krijg te horen dat hij aan Korsakov leed. Enkele gedachten blijven plots in de lucht hangen, eentje wordt voorzichtig uitgesproken: is er daarom nooit iemand bij hem op bezoek gekomen zolang men het zich in Remy kan herinneren?

Nena vertelt me meer. In tegenstelling tot veel oudere bewoners was meneer F.D.V. nog perfect mobiel, zoals dat in het jargon heet. Hij kon vrij rondlopen. Dat deed hij ook ’s nachts. Dan dook hij plots achter een verpleegster op als een bleke geest. Of hij stond in de deuropening te kijken, vaak gewoon in zijn onderbroek. Overdag ging hij wandelen. Naar andere afdelingen, waar hij rust vond. Naar de cafetaria, waar hij een pintje dronk. Of twee. Dat mocht. “Korsakovpatiënten kun je moeilijk iets weigeren.” Deed men dat toch, dan werd zijn brommen dreigend. Sommige mensen waren bang voor hem.

In het grote album van afdeling B4 hebben ze gisteren een foto bij gekleefd. Meneer F.D.V. die aan het trommeltje van de bingo draait. Hij hield van bingo, maar speelde niet zelf. Cijfers verzonken net als letters in het moeras in zijn hoofd. Een man die zijn woorden kwijtraakte zal morgen een afscheid krijgen in taal. Na wat ik al gehoord heb, denk ik: dat had hij zelf vast een goede grap gevonden.

Nena toont me zijn schaarse bezittingen, vooral kleren, verpakt in zakken en dozen. Echt persoonlijke spulletjes heeft hij amper, op zijn kamer hing alleen een zwart-witfoto die eind jaren vijftig moet genomen zijn: F. als kind in het midden tussen twee oudere zusjes. “Ik vroeg hem weleens: heb je er geen spijt van dat je je familie nooit meer ziet?”, vertelt een andere verpleegster. “Dan schudde hij beslist het hoofd. Daar had hij geen behoefte aan.”
Toch hing die ene foto daar, terwijl alle andere in de kast waren opgeborgen.

Nog één ding wil ik weten: wat deed meneer F.D.V. voor hij naar Remy kwam, wat was zijn beroep? Niemand schijnt daarvan op de hoogte te zijn. Tot een verpleger erbij komt die het meent te weten: “Hij heeft jaren bij de Stella gewerkt. In het productieproces, geloof ik, als arbeider.”

Meneer F.D.V. overleed erg onverwacht. “Ik had vorige vrijdag de late shift”, vertelt Nena. “Toen ik de medicijnen rondbracht, zag ik dat F. zat te huilen. Heel vreemd, want dat deed hij anders nooit. Ik vroeg of ik iets kon doen. En vervolgens of hij liever had dat ik hem even stiletjes alleen liet. Daarop knikte hij. Het greep me echt aan te horen dat hij er de volgende dag niet meer was.”
Dat hij eenzaam zal begraven worden, daar zijn ze allemaal stil van. Vroeger was er in Remy nog een kapel. Dan werd er een kleine dienst georganiseerd waar het personeel gauw even naartoe glipte. Het kerkhof halen ze niet.
“Ja, onze F.”, zucht haar collega. “We gaan hem eigenlijk wel missen.”
Bij leven, bedenk ik, heeft hij misschien nooit zo’n mooi compliment gehad: dat hij gemist zal worden.

Een dag later.
Koude wind jaagt de schaarse wolken langs een voor de rest stralend blauwe hemel. De lente komt te laat voor meneer F.D.V.
De lijkwagen staat twintig minuten voor het afgesproken tijdstip al aan de ingang van de stadsbegraafplaats. “Ik jaag me niet graag op in het verkeer”, zegt de man van de Firma. Hij legt uit wat hij normaal gesproken doet. Een standaardtekstje voor een teraardebestelling, een variant daarop voor een asuitstrooiing. Dan leest een nabestaande een persoonlijke boodschap voor of iets wat op het rouwprentje staat. “Maar nabestaanden zullen er vandaag niet zijn”, heeft hij begrepen. Die leemte kan de ‘stadsdichter’ invullen. Ik corrigeer hem: Leuven heeft geen stadsdichter, ik ben hier namens De Eenzame Uitvaart.

We wachten tot stipt halftwaalf. “Je weet nooit dat er nog iemand opduikt”, zegt hij. Dan gaan we naar de strooiweide, samen met een kerkhofopzichter die de as zal uitstrooien. Met ons drieën vormen we de kleinst denkbare cirkel rond de urne. De man van de Firma heeft er een plastic bloemstukje naast gezet, ik vraag me af of dat straks weer in de lijkwagen verdwijnt. Hij neemt het woord, declameert een toepasselijk tekstje over vrij zijn, over vogels en wind. Dan knikt hij naar mij. Ik zet een stapje naar voren en richt me tot meneer F.D.V. die ik voor de gelegenheid tutoyeer.

Voor F.

Het enige wat het bewaren waard was:
een foto met vergeelde zussen en je lach
die sputterde als een oude mobylette.

Woorden vielen uit je mond aan scherven.
Je drukte je uit in gebroken glas, alleen
ja en nee en merci bleven intact.

Teug na teug heb je het leven
leeggedronken, je droogde op
tot standbeeld, een marmeren sergeant
de armen op de rug, de ene hand
als een slappe handschoen in de andere.

Welwillend keek je hen na: je witte legertje,
de kletsmajoors in de cafetaria en de meisjes
van het lazaret, die knipoogden.
En dan lachte je.

Die laatste avond hoorde je een vreemde
hand aan de bingotrommel draaien.
Wist je dat jouw balletje zou vallen.

Dan wordt, een duimbreed boven het gazon, de urne geopend. De opzichter strooit niet, hij schildert. Brede grijze vegen strijkt hij soepel op het gras uit.
Geen vijf minuten heeft het geduurd. We nemen afscheid. “Tot binnenkort”, zegt de man van de Firma. Het is vooral voor de opzichter bedoeld. “Voor mij mag het best wat langer duren”, zeg ik.

Ik struin nog even rond op het kerkhof, dat op een enkeling na verlaten is. De zon schijnt, de weinige wolken hebben een zilveren rand, de lente is echt op komst. Plots valt me iets in. Ik stap terug naar de strooiweide. Tot mijn opluchting ligt het plastic bloemstukje er nog.

Verslag en gedicht: Peter Mangel Schots