Meneer J.J. werd op 8 juni 1926 geboren in Kessel-Lo en overleed in woonzorgcentrum Edouard Remy te Leuven (waar hij verbleef sinds 2002) op 16 maart 2015. Zijn asuitstrooiing vond plaats op donderdag 19 maart 2015 op de stadsbegraafplaats van Leuven. Dichter van dienst was Herlinda Vekemans.

Het is maandagochtend en in de tien minuten dat douchen en scheren geduurd heeft, is er een bericht binnengelopen op mijn voicemail. Ward van het OCMW, of ik wil terugbellen. Even denk ik dat hij me voor wat anders gecontacteerd heeft, dat er zich twee weken na de eerste Eenzame Uitvaart in Leuven niet zo gauw een tweede kan aandienen. Twee of drie per jáár was de schatting geweest.

Ik word snel uit mijn twijfel geschud. Er is opnieuw iemand zonder nabestaanden overleden, weer in woonzorgcentrum Edouard Remy. Even was er nog de hoop dat ze zijn broer zouden kunnen verwittigen, maar op het enige telefoonnummer dat de diensten hebben, komt een vreemde aan de lijn. Meneer J.? Onbekend.

Maatschappelijk werkster Ariane vertelt me een verhaal dat zich evengoed in de negentiende eeuw had kunnen afspelen. Meneer J.J. woonde lang in het achterhuisje van een vriend, een keet zonder verwarming of elektriciteit. Hij verdiende een schamel loon door her en der aan te bellen bij mensen met een tuin. Of hij klusjes mocht opknappen, de hof onderhouden. Een eigenares van zo’n tuin bood hem een dagelijkse maaltijd en nieuw onderdak: een stalletje. Ik denk aan Alleen op de wereld, aan het weeskind Rémi, aan de oude zwerver met zijn gedresseerde dieren. De werkelijkheid zou die gedachte snel inhalen.

Net als twee weken geleden ga ik naar wzc Remy aan de Frederik Lintsstraat. De hoofdingang is versperd, tegen de gevel staat een verhuizerslift. Het is maar een bedenking: er wordt de laatste weken veel verhuisd in Remy.

Op afdeling B5 ligt een geknutselde placemat met de afbeelding van kleurrijke ballonnen en een foto van meneer J.J. ‘Gelukkige verjaardag’ staat eronder. Die placemat moet meegekomen zijn uit blok A, waar meneer J.J. vroeger verbleef, tot hij na een zware val naar het hospitaal moest, zowat een halfjaar geleden.

“Ik dacht dat hij een dakloze was”, zegt een verpleegster die meneer J.J. niet zo goed gekend heeft. Het is niet ver naast de waarheid. Annie, die vroeger in blok A werkte, weet hoe de vork in de steel zit: “J. was vroeger bij het circus, hij maakte de kooien van de dieren schoon. Op een dag heeft een aap hem in zijn neus gebeten en is hij ermee gestopt.” Het verhaal van de tuinen kennen ze, van het stalletje ook. “Eigenlijk was het echt een arme…” Ze heeft moeite met het woord. “Een arme sukkelaar”, zeg ik. Ze knikt. “Het was zo’n brave mens. Het liefst wandelde hij hier in de hof, bij de dieren voelde hij zich thuis.”

Te goed voor deze wereld. De wereld profiteerde van hem.
Maar naar verluidt had hij toch een vriendin in het rusthuis? “Ach, er was een dame hier die niet meer goed te been was”, vertelt Annie. “J. deed weleens boodschappen voor haar. Op een keer is hij daarbij gevallen. Nadien moest ze van hem niet meer weten, hij was van geen nut meer.” Meneer J.J. kwam in een rolstoel terecht en moest van afdeling veranderen. Op 5B was hij nog niet lang. Er aarden ging niet zo vlot. “Hij wou steeds vaker in zijn bed liggen”, zegt hoofdverpleegster Kristel. “Meteen na het eten vroeg hij daar al om.”

Het moet aan het eind van zijn leven balsem op het bestaan zijn geweest: een warm bed, een stevige matras, zachte lakens. Ongekende luxe voor iemand die een deel van zijn bestaan op een brits in een barak geslapen heeft. Zou hij daar op grijze dagen weleens aan teruggedacht hebben: aan de regen die hij vroeger op de golfplaten kon horen?
Donderdag 19 maart, de dag van zijn uitvaart, is zo’n grijze dag. Geen spoor van lente meer. “Als de zon morgen maar schijnt”, zegt de man van de Firma. Een vragende blik beantwoordt hij met de vaststelling: “Morgen is er een zonsverduistering. De volgende keer dat zoiets gebeurt, zijn we er misschien al niet meer.” De man is vertrouwd met de breekbaarheid van het leven.

Onverwacht komen twee mensen dichterbij geschuifeld. De ene is de huisarts van meneer J.J. Dat hij tijd maakt om bij de asuitstrooiing aanwezig te zijn is een hartverwarmend gebaar. De andere man houdt wat afstand. Het blijkt de jongste broer van meneer J.J. te zijn. De vraag hoe hij daar alsnog geraakt is, voelt als een overbodigheid. Hij is er. Herlinda leest haar gedicht voor en geeft na afloop het papier aan de huisarts.

 

Schild

een leven lang kreeg je de beschermheilige van timmerlieden en stervenden mee
je hield het sterven lang en lankmoedig op afstand en ging je eigen zwervende gang
een dak was er niet altijd, je timmerde aan je weg van klus tot klus
in het circus kregen de dieren van jou graag een schone kooi
tot op een dag een kwaaie aap ondankbaar je neus vertimmerde
dan toch liever habbekratsen in de tuinen van mensen met huizen
zij schraapten hun profijt bijeen en jij had je plekje in een stal
klussen zat je in het bloed, voor jou was het helpen
de boodschappen voor een dame in nood brachten je lelijk ten val

een schone kooi, een nette tuin, een volle boodschappentas
het vulde je dagen tot ze langzaam kuierend leegliepen
de vogels in de volière van het rusthuis zagen je graag komen
hoe zou het je circuskameraden zijn vergaan?

het was nog winter toen je stierf
lente werd het niet meer maar je kleurige leven
was een schild tegen al te donker sterven
pril is het licht van vandaag
het is voor jou

 

Verslag: Peter Mangel Schots

Gedicht: Herlinda Vekemans