Mevrouw A.D. werd op 12 februari 1931 geboren in Elisabethstad (nu Lubumbashi) en overleed op 18 augustus 2015 in woonzorgcentrum Ter Putkapelle in de Leuvense deelgemeente Wilsele, waar ze verbleef sinds 2005. Haar asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 25 augustus 2015 op de begraafplaats van Wilsele-Putkapel. Dichter van dienst was Paul Bogaert. Verslaggever was Peter Mangel Schots.

Niet elk verhaal van een eenzame uitvaart hangt aaneen van kommer en kwel. Mevrouw A.D. heeft een goed leven gehad, dat vertelde ze aan ieder die het wilde horen. Ze was een opgewekte en levenslustige dame, die hield van alles wat het bestaan aangenaam maakt: lekker eten, reizen, bloemen, chips en chocolade… Ook in het woonzorgcentrum waar ze verbleef, wilde ze goedgekleed, opgemaakt en geparfumeerd door het leven gaan. Een pronte dame.

En een mooi mens, bevestigen verpleegkundigen Sonja en Viviane van wzc Ter Putkapelle. Iemand die nooit klaagde of ongeduldig was, die graag lachte. Al tien jaar verbleef mevrouw A.D. in Wilsele, daarvoor had ze drie jaar doorgebracht in het rusthuis aan de Kapucijnenvoer in het centrum van Leuven. Toen dat sloot, verhuisde ze naar het nagelnieuwe Ter Putkapelle. Ze was daar stilaan een van de laatste bewoners die de verhuis nog meegemaakt hebben.

In het woonzorgcentrum houden ze uitgebreide dossiers bij. Het eerste wat me opvalt wanneer ik dat van A.D. inkijk, is haar geboorteplaats: Elisabethstad. Ze bleef daar tot ze zeven was, rond die tijd gingen haar ouders uiteen. Haar vader was een intelligent man, maar hij dronk. A.D. werd voortaan opgevoed door haar grootouders in Kessel-Lo. “Ze kwam er niks te kort, kreeg alles wat ze wou”, vertelt Sonja. “Toch heeft ze het altijd jammer gevonden dat ze Congo moest achterlaten.”

Mevrouw A.D. was perfect tweetalig. Ze was in Congo grootgebracht in het Frans en sprak dat nog graag. Met haar goede vriendin in het rusthuis bijvoorbeeld, Monica, die ze altijd ‘mon chou’ noemde. Het waren boezemvriendinnen. “We zaten vaak bij elkaar”, zegt Monica. “Ze vertelde soms over de Congo, ja. Ze had spijt toen ze daar weg moest, ze hield van de sfeer ginder.” Monica maakte voor A.D. Afrikaanse maskers uit papier-maché. Ze hoopt er enkele van terug te krijgen als herinnering, voorlopig zitten ze nog gestockeerd bij de rest van A.D.’s bezittingen. Het verlies van haar hartsvriendin weegt zichtbaar op Monica. Knoop op die leeftijd nog maar eens zo’n hechte vriendschap aan.

Ik ga verder, naar de kamer waar mevrouw A.D. woonde. Het raam geeft uit op de kleine bloementuin van het rusthuis en meteen daarachter, vlakbij nog, een spoorweg. Treinen razen er voorbij, de eeuwige beweging die aan haar raam voorbijtrok, terwijl zij er in haar zetel zat, steeds meer toen het einde naderde. “Ze was kortademig”, legt Viviane uit. “Ze moest meerdere uren per dag aan een apparaat. Daarom bleef ze ’s namiddags altijd op haar kamer.”

Nu is de kamer leeg, maar enkele dagen eerder stond ze afgeladen vol. “A. had graag veel spullen op haar kamer”, vertelt Viviane. “De Afrikaanse maskers van Monica, foto’s van haar rosse kater, een kooi met haar kanariepietje en veel, veel planten en bloemen. Ze zag heel graag bloemen. Haar man nam vroeger elke week een bos mee voor haar als hij van de markt kwam.”

A.D. leerde haar man in Leuven kennen. Beiden werkten op een ministerie in Brussel, zij op dat van Gezondheid. Na een tijdje gingen ze dichter bij hun werk wonen. In 2002 overleed haar man en weinig later liet zij zich opnemen in de Nouvelle Clinique de la Basilique in Ganshoren. De wens om terug te keren naar Leuven werd sterker. Ze wilde dichter bij haar jeugdherinneringen zijn.

Mevrouw A.D. en haar man hadden er bewust voor gekozen geen kinderen te hebben. In het rusthuis kwam aanvankelijk wel haar schoonbroer op bezoek, maar ook die overleed. Familie was er toen niet meer. Alleen met de mensen in Ter Putkappelle had ze nog contact: medebewoners en hun kinderen, personeel, verpleegster Irma die na haar pensionering nog vaak op bezoek kwam.

Of er iemand op de uitvaart zal opdagen is een open vraag.

Dinsdagmiddag. Paul en ik arriveren tegelijkertijd aan het kerkhof. De lijkwagen is er al. Er staat ook een dame te wachten, ze stelt zich voor als Marie-Paule. Tot haar pensionering was ze poetsvrouw in Ter Putkapelle. Ze draagt A.D. een warm hart toe en wil haar niet eenzaam laten gaan.

Net voor één uur daagt er nog iemand op, de dochter van een medebewoonster. Uit het gesprek van de dames blijkt een warme genegenheid voor A.D. Het klinkt intens oprecht. “Zo zijn ze niet allemaal”, zegt Marie-Paule. “A. was een schat van een mens.” Dan is het tijd voor de plechtigheid. Nadat de man van de Firma een tekstje heeft voorgelezen, brengt Paul een passende bloemenhulde aan mevrouw A.D.

Zulke schone bloemen

Nu vallen al die bloemen met bakken uit de lucht.
Evenaarsbloemen van kindervelfluweel,
grootmoedersbloemen, zie nu toch die koperkleur,
de sexy vrijdagbloemen uit de vaas
waaruit de kater nu à volonté kan drinken,
secretaressedagbloemen en
anticonceptiefolderbloemen en van die magnifieke
uit het buitenland, zo contrastvol
smaken die naar chips.
We danken de kleurwaarneming aan het licht
dat op het Ministerie van Gezondheid binnenvalt.
Oranjerode bloemen op de tafels in de restaurants.
In het echt zijn de zwart-witfilmbloemen limoengroen en
kanariegeel. In het donker is er niets
te zien. Zwartgelakte maskers van papier-maché misschien.

Qui peint la fleur n’en peut peindre l’odeur.
Voor een kilo rozenolie zijn er vijf ton bloemen nodig.
Kostbare lucht die zich verdunt tot een seconde,
tot een flard met daarin dat accent,
die echo van de uitspraak
een goed leven te hebben gehad.

De twee dames danken ons, en wij hen. A.D. was vast in haar nopjes geweest, dat biedt troost. Het grasperkje en de ruiker bloemen van de Firma worden plots overgoten met zon. De herfst kan nog even wachten.