Mevrouw S.S. werd op 10 oktober 1923 geboren in Jette en overleed op 6 september 2015 in het Heilig Hartziekenhuis in Leuven. Ze werd begraven op 11 september 2015 op de Leuvense stadsbegraafplaats, na een bescheiden dienst in de Sint-Geertruikerk. De dichter bij de uitvaart was Peter Mangel Schots.

Mevrouw S.S. woonde in Sint-Maartensdal, de sociale woonwijk waarvan de hoge centrale toren de skyline van Leuven domineert. Sint-Maartensdal heeft er een erg lange periode van renovatie opzitten, die al in de vorige eeuw begon. Bewoners verhuisden toen tijdelijk of definitief en het sociale weefsel werd hier en daar gescheurd. Ook S. verloor op die manier enkele goede buren. Familie had ze amper: S. was gescheiden, enkele verwanten woonden in Engeland. Na het overlijden van S. had men alleen de contactgegevens van een verre neef, maar die dacht dat S. al een hele tijd dood was en toonde verder geen interesse.

Op haar gevorderde leeftijd wou S. zo veel mogelijk zelf blijven doen, vertelt de dame van de thuiszorg die haar goed heeft gekend. Ze kon bijna niet meer stappen, maar behielp zich met een rollator. Aanvankelijk weigerde S. washulp en ze knipte nog zelf haar haar. Vroeger was ze kapster geweest, voor de rest weten we niet zo veel over haar lange leven.

En de nieuwe buren? Wanneer ik langsga in haar woontoren tref ik bij de ingang twee dames. Ik doe het verhaal van S. maar ze kennen haar niet, ze wonen op een andere verdieping. Een van hen laat me wel het gebouw binnen. Ik bel bij de buren rechts van S. Niemand thuis. Links doet wel iemand open, een wat oudere man die slechts enkele woorden Nederlands spreekt. Hij kent S. niet, buigt alleen het hoofd wanneer hij begrijpt dat ze overleden is. Ergens in het appartement zijn een vrouwenstem en de tv te horen.

S. was al een poosje weg uit Sint-Maartensdal. Een halfjaar geleden kwam ze ten val en werd ze naar de kliniek gebracht. Even was ze op ‘kortverblijf’ in woonzorgcentrum Vogelzang, nadien moest ze weer worden opgenomen in het Heilig Hartziekenhuis, waar ze overleed. Ze werd net geen 92.

Voor haar val kreeg ze thuis al eens bezoek van een paar vriendinnen. Ze bakte dan zelf nog scampi en er kwam taart op tafel. Maar ondertussen is een van die vriendinnen overleden en met de andere gaat het erg slecht. Voor de rest had S. alleen contact met de mensen van de thuiszorg, haar huisarts en soms een vrijwilliger van ‘Vergeten naar buiten te komen’, een Leuvens project dat thuiswonende bejaarden laat deelnemen aan sociale en culturele activiteiten. Voor zo’n uitstapje, naar een optreden of een museum, was ze altijd wel te porren.

‘Ze genoot nog zo goed ze kon van het leven’, vertelt de dame van de thuiszorg. ‘En ze was altijd erg dankbaar voor alles wat je voor haar deed. Een heel vriendelijk dame. Fier ook, ze wou er altijd piekfijn uitzien. Een tijdlang legde ze elke week wat kleingeld opzij tot ze twee jaar geleden een pruik kon kopen. Ze stond er beeldig mee.’
Je maakte je graag mooi voor de wereld, bedenk ik, hopelijk deed de wereld dat soms ook voor jou.

Op de momenten dat die aardse wereld een lelijk gezicht trok, vond S. steun in haar geloof. Ze wilde een kerkelijke plechtigheid. Zo’n grote lege kerk, denk ik, hoe krijgen we daar wat warmte in? Volstaat dan een gedicht?

Net voor ik op vrijdagochtend de Sint-Geertruikerk binnenstap, beieren de doodsklokken. Voor de poort staat de lijkwagen. De kerk is zoals ik me had voorgesteld: indrukwekkend leeg. Achteraan staan drie mannen van de Firma rond de kist. Ik groet S. en vertel hen dan wie ik ben. De man van de Firma die zich voorstelt als de ceremoniemeester neemt me mee naar de sacristie, waar de voorganger zich voorbereidt. Dan zie ik in de zijbeuk een groepje ouderen staan, een van hen zit aan een klavier.

De voorganger van de dienst is een vrouw. Ze heeft van haar eigen parochie enkele koorleden meegebracht, zegt ze. Wegens dezelfde vrees: anders is zo’n kerk zo leeg en kaal. Het koortje zet zich op de eerste rijen rechts, ik zit helemaal alleen op de voorste rij links. Niemand van ons heeft S. gekend.

Een eerste zang wordt ingezet en de mannen van de Firma dragen de kist naar voren. Net op dat ogenblik komen een paar vrouwen naast mij zitten. Ze zijn van de thuiszorg.

De voorganger spreekt mooie woorden. Ze vertelt de weinige feiten over het leven van S. die ik van de dame van de thuiszorg had gehoord. Tussendoor zingt het koor. Ze doen oprecht hun best. Na de offerande ga ik naar voren met het gedicht dat ik voor S. geschreven heb.

Van wie waren de laatste handen
door je haar, de vingertoppen die
het grijzende kluwen gedachten ontlokten
aan de hand die water putte uit de vont
een traan weg streelde van je wang
een restje taartkruim van je mond?

Herkende je de handen
die je wasten en je susten
zo omzichtig als je eerste vrijer
door je lokken ging en daar
een lieveheersbeestje uit plukte?

Handen die je uitstelde en afwees
met een glimlach, hoofdschuddend.
Ook toen je leven overhelde
hield jij het liever zelf in handen.

Je vingers waren schaar en kam
ze gleden langs de leuning van je zetel
bewaarden de laatste zorgvuldige knip
voor het lintje van jouw hemel.

Bij het voorlezen merk ik dat er nog twee vrouwen binnengekomen zijn. Na de plechtigheid spreek ik hen aan. Het zijn vroegere buren van S, van voor de renovatie van Sint-Maartensdal. De stukken die uit het weefsel gescheurd werden.
Ze zijn erg geëmotioneerd, hadden S. in Vogelzang nog weleens bezocht, maar waren zelf op de sukkel geraakt en hadden pas laat het overlijden van S. vernomen.

Op de valreep toch nog iemand die S. echt gekend heeft: het is een troostende gedachte. De twee oude buren begeleiden haar mee naar het kerkhof, zo is het goed.