Meneer J.B.N. werd op 11 februari 1950 geboren in Kitukura (Burundi) en overleed op 27 november 2015 in Leuven. Hij werd bij hem thuis dood aangetroffen. Er waren geen nabestaanden. De begraving vond plaats op vrijdag 4 december 2015 op de Leuvense stadsbegraafplaats. Dichter van dienst was Peter Mangel Schots.

Vrijdagmiddag op de stadsbegraafplaats van Leuven. Het valt op hoeveel kale kruisjes er nog staan op de percelen waar de laatste jaren de overledenen werden begraven. In elke rij staan er wel één of twee, simpelweg een paar latjes op elkaar gespijkerd of gelijmd, met in strakke witte letters de naam van de overledene. Het zijn kruisjes zonder zerk, zonder bloemen, op den duur al half vergaan. “Als er niemand naar omziet…”, zucht de grafdelver. “Geen hout is bestand tegen twintig winters.”

Ook naar de laatste rustplaats van meneer J.B.N. zal niemand omzien. Hij werd thuis gevonden, laat Liliane van het OCMW weten. Meneer N. is 65 geworden, hij werd geboren in Burundi. Zijn ouders zijn overleden, hij had geen echtgenote of kinderen. Hoelang hij in België verbleef weet ze niet, maar in 2001 kreeg hij de Belgische nationaliteit. Ook over zijn werk is niets geweten, hij leefde momenteel van een ziekte-uitkering. In 2009 werd hij een tijdje opgenomen voor verzorging. In welke kliniek of instelling, dat vermeldt het summiere OCMW-dossier niet.

Daar lijken de sporen op te houden. Meneer N. is nergens bekend. Ook niet in buurthuis ’t Lampeke, dat sommigen de enige vorm van sociaal contact biedt. Bij de Firma kunnen ze me evenmin helpen. Zij werden opgebeld door de politie. Die vond geen nabestaanden.

Na wat rondbellen via het OCMW en de huisarts van meneer N. kom ik toch wat meer te weten. Er ging geregeld een verpleegster bij meneer N. langs. Toen zij geen respons kreeg op aankloppen en bellen, werd ze ongerust en verwittigde ze de huisarts. Die vreesde het ergste en haalde de politie erbij. Meneer N. werd in zijn bed gevonden. Hij moet vredig ingeslapen zijn, zegt de huisarts, geen spoor van een grimas rond zijn mond.

Hoe en wanneer meneer N. naar België gekomen is, blijft een open vraag. Het zou best kunnen dat hij jaren geleden aan de KU Leuven is komen studeren en hier is blijven wonen, maar dat is slechts een vermoeden. In elk geval was hij een intelligent man, erg belezen. Hij was geïnteresseerd in literatuur, maar ook in politiek, hij las veel over Congo en de voormalige Belgische kolonies. Een erg vriendelijke man ook. “Hij zou zeker geholpen hebben om een oud vrouwtje te helpen oversteken.” Iemand van wie men spontaan zoiets zegt, moet wel een goed mens zijn.

Eenzaam schijnt hij niet geweest te zijn. Hij had genoeg aan zijn boeken en dronk graag een goed glas. Altijd thuis, op café kwam hij niet. Maar als hij naar buiten ging was hij altijd verzorgd, zo weet zijn huisarts. Met hem sprak meneer N. steevast zijn moedertaal, Frans. Enkele jaren geleden had hij even een vriendin die op een serviceflat woonde. Hij bezocht haar twee, drie keer per week.

Daarmee is alle informatie uit elk dossier geschraapt. Het laat een beeld na van een gemoedelijke man die zich schikte in zijn solitair bestaan. Al zullen we dat nooit met zekerheid weten.

De dag van zijn begrafenis schijnt de zon en is de hemel Afrikaans blauw. Een dag waarop meneer N. van achter zijn vensterraam misschien zou teruggedacht hebben aan zijn jeugd in Burundi.

Bij de ingang van het kerkhof tref ik de lijkwagen met twee mannen van de Firma en de grafdelver. We wachten nog tien minuten, tot het bijna drie uur is, maar hebben geen hoop dat er nog iemand zal opdagen.

Op een grasperk langs enkele bomen is men net een nieuwe rij begonnen. De kist wordt uit de wagen gehaald en op een baar geplaatst. Een van de mannen van de Firma spreekt een kort woord van nagedachtenis en troost. Dan lees ik mijn gedicht.

Voor J.

Vrienden had je rijen dik.
Al keken ze je met de nek aan
echte vrienden waren het.

Vaak nodigde je een copain aan tafel
lag een andere op het dressoir, twee
konkelfoezend op de chaise longue.

In heel je flat vonden ze onderdak.
Ontheemden gaf je steun en warmte
geknakten rechtte je de rug.

Je bladerde een wereld open:
Victor Hugo en Yourcenar
la République du Congo.

Soms sloop er een tussen je lakens
dromen ritselend van Kitukura
Mille Collines en Mille Colonnes.

Misschien – ik acht de kans niet onbestaand –
heb ik je ooit gezien, goedmoedig knikkend
bij de bakker, voor de pui van het stadhuis

en wist ik niet dat de gedempte haast
die door je glimlach scheen, te wijten was
aan heimwee naar die vrienden thuis.

Zodra de zware kist de bodem van de kuil heeft bereikt, laat ik het papier erachteraan dwarrelen. Een enkele vriend voor meneer N. om mee naar de overkant te varen.

Wanneer de lijkwagen wegrijdt en de graafmachine arriveert, wandel ik nog even rond tussen de verse graven. Mijn oog valt op het houten kruisje van mevrouw S.S. die in september een eenzame – en uiteindelijk niet geheel eenzame – uitvaart kreeg. De lap gras voor het kruis is nog intact, bloemen of een zerk zullen ook hier nooit komen.

Er steekt een koude wind op terwijl de zon tussen de kale boomtakken zakt. Het wordt al gauw winter.