Meneer J.B. werd op 9 mei 1950 geboren in Oudergem. Hij werd in zijn appartement in Leuven dood aangetroffen op 15 december 2015. Op dat ogenblik was hij al enkele weken overleden. De asuitstrooiing vond plaats op vrijdag 18 december 2015 op de Leuvense stadsbegraafplaats. Dichter van dienst was Herlinda Vekemans. Verslag door Peter Mangel Schots.

Op dinsdag begeleidden we mevrouw J.M. naar haar laatste rustplaats, op woensdag rinkelt alweer de telefoon. Meneer J.B. is de derde Leuvenaar op twee weken tijd die overlijdt zonder nabestaanden, zonder dat iemand naar hem omkeek. Zo mild de temperaturen buiten waren, zo bitter is deze december geweest voor de eenzamen. En dit is bij uitstek een grauw verhaal. Hadden we gedacht dat het in Leuven niet zou voorvallen dat iemand weken dood ligt, dan dachten we alleszins verkeerd.

Veel kunnen ze me op het OCMW niet over hem vertellen. Meneer J.B. werd geboren in de Brusselse rand en woonde nadien in Schaarbeek, Knokke, Meerbeek, Kortenberg, Evere en ten slotte Leuven, sinds 1998. Een rusteloos bestaan dat tot een einde gekomen is. Als officiële sterfdatum staat 13 december vermeld, maar dat is slechts een administratieve noodzaak. Een sterfdatum moet er zijn, ook al is die onbekend. Meneer J.B. was al minstens twee weken dood toen hij gevonden werd. Buren werden gealarmeerd door de geurhinder.
Eind november had meneer J.B. een aanvraag tot huisbezoek door het OCMW ingediend. Op dinsdag 1 december was er iemand langsgegaan. Er deed niemand open.

Wat men ook nog weet, is dat hij sinds 2003 weduwnaar was. Een bewindsvoerder regelde zijn papierwerk en zijn financiën. Persoonlijk contact met meneer J.B. was er amper. Qua informatie lijkt het daarbij te blijven.

Maar daar begint het pas.
Omdat het telefoontje van het OCMW zo weinig heeft opgeleverd, ga ik op het adres van meneer J.B. langs, een appartementsblok tegenover een studentenresidentie. Het is een grijze regenachtige dag. Op de benedenverdieping zie ik door een verlicht raam twee mensen aan tafel zitten. In de inkomhal zoek ik het naamplaatje van meneer J.B. en ik vraag me af of ik ergens gehoor zal vinden. Meneer J.B. woonde blijkbaar op de tweede verdieping, ik probeer de bellen naast hem uit, maar er komt geen antwoord. Hier moet weken geleden ook de dame van het OCMW gestaan hebben. Vergeefs wachtend tot meneer J.B. de deur zou openen.

De namen van sommige bewoners klinken jong, vermoedelijk studenten. Op sommige bellen staat één naam, op andere twee. Het is midden op de dag, de meesten zullen niet thuis zijn, maar de tijd dringt, overmorgen is de uitvaart al. Ik gok erop dat de namen op het onderste naamplaatje die van de mensen zijn die ik door het raam zag en druk op de bel.

Een hoogbejaarde man komt naar de deur van de hal geschuifeld. Ik vertel hem wie ik ben en dat ik iemand zoek die meneer J.B. heeft gekend. Hij aarzelt even en zucht. Ja, hij heeft hem gekend, beter dan wie ook in het gebouw. Ik mag binnenkomen. Aan de tafel is zijn vrouw met paperassen bezig. Beiden lijken me in de tachtig te zijn. Ik zal hen verder de buurman en buurvrouw noemen.

Wanneer ik mijn notitieboekje uit mijn jaszak vis, schudt de buurman het hoofd. Het is niet zo simpel wat hij allemaal te vertellen heeft. Hij doet het verhaal van meneer J.B. en daarbij richt hij zich beurtelings in bedekte termen tot mij en in woorden van verstandhouding tot zijn echtgenote, de buurvrouw, wat het niet altijd gemakkelijk maakt om alles te volgen. Zijn relaas begint met de vrouw die in 2003 overleed. Of het de echtgenote van J.B. was wisten ze niet. Wat wel duidelijk was: ze leed aan het leven, wou het liever van zich af schudden. Haar dood was een triest verhaal, niet minder erg dan dat van meneer J.B. zelf. Die belandde destijds in het ziekenhuis, het had ook voor hem daar kunnen stoppen.

De vrouw van meneer J.B. had kinderen, maar de verstandhouding was niet goed en na haar dood hebben de buren hen niet meer gezien. Met meneer J.B. ging het van kwaad naar erger. Met het hoogbejaarde koppel had hij nog wat contact, af en toe, in de gang of als de buurman hem ergens mee hielp. Voor de rest liet hij het leven meer en meer los. Dat was hem ook lijfelijk aan te zien. De jongere bewoners in het gebouw meden hem, de benedenburen begrepen dat, vonden het zelfs verstandig.

De buurvrouw is kwaad. Ook al voelde ze zich niet op haar gemak bij meneer J.B., ze had wel met hem te doen en het ergert haar dat er zich nooit iemand om hem bekommerd heeft. ‘Die man was eigenlijk ziek, verwaarloosd, door en door verlaten. Ze hadden hem allang moeten laten opnemen.’ Ze kan er niet bij dat er nooit iemand wat gedaan heeft. De officiële instanties niet, de madame die de bewindsvoerder vertegenwoordigde evenmin. Haar man probeert haar te sussen. Het zijn goede mensen, dat merk je zo. Beiden hebben hospitalisaties achter de rug, zijn slecht te been, maar helpen nog waar ze kunnen in een seniorenvereniging. Ook in het appartementsgebouw lijken ze het aanspreekpunt van veel bewoners te zijn.
Ze hebben een leeftijd waarop veel mensen hen ontvallen. Op de tafel ligt een stapeltje doodsprentjes. Ik vertel hen tussendoor ook over De Eenzame Uitvaart. Over een dame uit wzc Ter Putkapelle bijvoorbeeld. ‘Dat moet A. zijn!’, zegt de buurvrouw meteen en ze haalt de lijst met overledenen erbij. Het is A. Ze vinden het erg.

Ze vinden het ook erg hoe het meneer J.B. is vergaan. Maar het was een kroniek van een aangekondigde dood. Twee dagen eerder was een bewoonster van de bovenste verdieping komen klagen over geurhinder en toen wisten ze hoe laat het was. Ze keken in de brievenbus – die nooit op slot was – en daar puilde de post uit. Met ook het briefje van de dame van het OCMW. Gedateerd: 1 december. Toen wisten ze het wel. De buurvrouw schudt het hoofd. Waarom heeft niemand iets voor die sukkelaar gedaan? De buurman vraagt wanneer de uitvaart is, voor mocht het hem lukken om daar te geraken.

De dag van de asuitstrooiing is uitzonderlijk zacht voor de tijd van het jaar. Het wordt een groene kerst – maar het voelt eerder als een grauwe kerst. De vorige eenzame uitvaarten in Leuven hadden altijd wel lichtpuntjes: rusthuisbewoners die daar ondanks alles prettige momenten meemaakten, eenzaten die nog genoten van hun sporadische contacten of, à la limite, van hun boeken. Maar aan het verhaal van meneer J.B. zit geen zilveren randje, het is een kerstverhaal zonder happy end.

Herlinda is vergezeld van haar partner Alain, ook dichter. De hoogbejaarde buurman daagt niet op, dat valt ergens wel te begrijpen. Wie op het kerkhof aanwezig is, wordt geplaagd door het beeld van een overledene die te lang op zijn vinders heeft moeten wachten. Na een woordje door de man van de Firma richt Herlinda zich tot meneer J.B.

Je naam klinkt als een klok

Je naam klinkt als een klok
een krachtige aanzet met een golvende echo
op het internet ben je een ankerplaats van aanzien
een professor in de scheikunde in Canada
een professor in de musicologie aan de universiteit van Tours
je hebt een meubelmakerij tussen Amiens en Arras
en een garage in het departement Nord-Pas-de-Calais
je verhuurt samen met je vrouw een vakantiehuis in Picardië
je bent een dokter in Reims

Nee, jouw naam zegt niets
over de man die zijn deur zelf niet meer open kreeg
de man zonder verzoek zonder bezoek zonder zichzelf
een zonderling
nam bezit van je leven
en verstomde je naam

Straks, buiten de lijnen van dit gedicht
klinkt je naam voluit
in klanken van mensenstem

luiden we de klok voor het springtij
van je eenzaamheid

Daarop doet Herlinda wat ze in haar gedicht aankondigt: ze spreekt de naam van de overledene uit. Drie keer. Het is een pakkend moment.
Het papier met het gedicht geeft ze mee met de man van de Firma. Zodat ook die zijn gehavend beeld van meneer J.B. kan inruilen voor iets mooiers.

Iedereen gaat zijns weegs. In brievenbussen over heel de stad vallen de eerste kerstkaartjes.