Meneer J.P.S. werd op 21 oktober 1946 geboren in Sint-Joost-ten-Node en overleed op 19 januari 2016 in wzc Huize Zevenbronnen in Walshoutem (Landen). Zijn vermoedelijke nabestaanden werden niet teruggevonden. De begrafenis vond plaats op vrijdag 22 januari 2016 op begraafplaats Diestseveld in Kessel-Lo. Dichter van dienst was Alain Delmotte. Verslag door Peter Mangel Schots.

Het bericht komt op woensdag 20 januari: meneer S. is overleden in een woonzorgcentrum in Walshoutem. Hij zal begraven worden in Kessel-Lo en daar zal niemand bij aanwezig zijn.

Hoe vindt iemand die geboren werd in Brussel en verbleef in Landen, op een Leuvens kerkhof zijn laatste rustplaats? Het is een vraag die me achtervolgt. Op de twee dagen die resten probeer ik een reconstructie te maken.

In Huize Zevenbronnen kom ik niet veel te weten. Meneer S. was erg teruggetrokken, zegt men. Hij zat meestal op zijn kamer en had weinig contact met de andere bewoners van het woonzorgcentrum. Ook met het personeel sprak hij alleen wanneer ze hem wat vroegen. Hij was er ruim drie jaar toen hij in zijn slaap overleed aan een hartfalen.

Het OCMW van Leuven bracht me het bericht van zijn eenzame uitvaart, dus probeer ik het daar. Ward helpt me een heel eind verder. De eerste geregistreerde verblijfplaats van meneer S. is in Leuven, aan de Geldenaaksebaan in Heverlee. Hij kwam daar wonen in 1967, toen hij twintig was. Werken deed hij als tekenaar en monteur. Nadien verhuisde hij enkele keren binnen het centrum van Leuven en van 1988 tot 1992 staat hij opgeschreven ‘zonder adres’. Daarna duikt hij op in Sint-Truiden.

Het is door een hospitalisatie dat meneer S. in Limburg terechtkomt. Op dat ogenblik heeft de psychische aandoening waaraan hij lijdt, de bovenhand genomen. Zijn leven wordt een aaneenschakeling van psychiatrische centra, begeleid wonen en ten slotte, wanneer hij een eind in de zestig is, een woonzorgcentrum. Heel die tijd blijft het OCMW van Leuven, waar hij vóór zijn opnames gedomicilieerd was, hem opvolgen.

Bij vzw Bewust in Sint-Truiden, waar hij van 2010 tot 2012 onder begeleiding woonde, schetst Lies me een mooi beeld van de man die hij geweest is.

Meneer S. was een kunstenaar in ’t diepst van zijn gedachten. Hij schreef, voelde zich schrijver, gedroeg zich als schrijver. Mooie pennen en mooi papier waren zijn favoriete bezit. Als hij maar creatief kon bezig zijn. Ooit volgde hij kunstonderwijs. Uit tijdschriften knipte hij foto’s waar hij een tekstje bij schreef. Hij verzon levens voor de mensen op de foto’s, pende ze neer in een uiterst verzorgd handschrift en bewaarde ze in mappen in zijn kast. Alles netjes op orde.

Hij sprak bedachtzaam en die zorg voor taal waardeerde hij ook bij wie met hem sprak. Verpleegkundigen werden geacht op hun taal te letten. En toch was het praten met hem vreemd, hij wendde de bik af, maakte nooit oogcontact.

Naast schrijven had hij nog een grote liefde: de zee. Wanneer hij kon, ging hij daar naartoe. Schrijver zijn aan zee, dat was zijn grote droom. Meneer S. mocht de vzw in Sint-Truiden, waar hij begeleid woonde, vrij verlaten. Soms ging hij een terrasje doen, genoot hij van eten en drinken, van zoetigheid vooral. Op een dag keerde hij ’s avonds onverwachts niet terug. Hij was naar Blankenberge gegaan en daar gebleven. Ze zijn hem ginds moeten gaan halen – zonder zijn medicatie ging het mis.

Lies komt nog met een verrassing: meneer S. was getrouwd geweest, zo vertelde hij ooit, en hij had een zoon, P. Het zou zijn ongecontroleerde fantasie geweest kunnen zijn – die nare ziekte waar hij aan leed. Maar volgens Lies vertelde hij dat niet in een waan, hij noemde zelfs de geboortedatum van zijn zoon. En hij zou ook nog een broer hebben.

Ik keer terug naar Ward, hij kan voor me opzoeken wat ervan klopt. Meneer S. trouwde inderdaad begin 1966 en kreeg in datzelfde jaar een zoon. In 1974 scheidde hij en in 1979 werd hij een eerste keer opgenomen in de psychiatrie.

Een ex, misschien zelf al overleden, een zoon, een broer… Maar geen van hen bracht meneer S. ooit een bezoek. Iemand anders trouwens ook niet. ‘Vrienden zijn belangrijk’, drukte hij zijn begeleidsters weleens op het hart. Maar zelf had hij er geen.

In 2012 leek een opname in een wzc raadzaam. Vanuit het OCMW Leuven ging men met meneer S. praten. Hij stond er weigerachtig tegenover, men moest praten als Brugman om hem zover te krijgen. Uiteindelijk ging hij naar Zevenbronnen, waar hij wel tevreden was. En onder toezicht ging het met zijn fysieke gezondheid ook zienderogen beter. Zijn overlijden kwam onverwacht.

Bij de begrafenis is Alain vergezeld van zijn partner Herlinda, beiden verzorgen eenzame uitvaarten in Leuven. Het kerkhof ligt vlak naast een containerpark, merkt Alain op. Toeval met een cynische toets.

Er zijn op het kerkhof drie uitvaarten aan de gang. Voor die van meneer S. is één persoon opgedaagd, een begeleidster van vzw Bewust in Sint-Truiden. Zij had meneer S. een week eerder nog gezien. Men trachtte contact te houden met hun voormalige patiënt in het wzc in Landen.

Bij de kuil, na een korte introductie door de ceremoniemeester, leest Alain zijn gedicht voor.

VOOR JPS

1.

Wie ben je het meest geweest? Jezelf? Of was het die ander in je zelf? Aan wie had je het meest? Of hebben jullie elkaar nooit ontmoet?

2.

De zee was iets waarop je – in al haar schijn aan oneindigheid – kon drijven. Het voorrecht dat ze je bood om te verdwijnen.

Een vlucht die je nooit mocht lukken. Je moest het bij je pillen houden. Slikken werd je aangepraat.

3.

Wat je netjes in schoonschrift neerschreef: riep inkt iets van het blauw van die zee en haar loutering in je op? Reikte het wit van het blad je een glimp aan van haar onstuimigheid?

Buitenkansen waren wellicht het enige bezoek dat je verwachtte. Ze bleven uit.

4.

Wist jij veel van wie je lichaam was. Je liet het alle kwalen begaan totdat het hart ervan eensklaps begaf.

Toen het later begon te sneeuwen was dat het laatste wat iemand van jou had kunnen zien.

5.

Taal, je hoogste goed aan beschaving.

De woorden die je ons wou schrijven, van wie ze ook kwamen – van jou of van die ander – jullie woorden, ze blijven wat ze al waren: deelachtig aan het ongehoorde.

Aarde legt die nu het zwijgen op.

Alain plooit het blad en legt het op de kist. Dan wordt iedereen verzocht de plek te verlaten.
De wind die over de vlakte blaast, lijkt nog kouder dan anders. Tussen de graven liggen de laatste restjes sneeuw.