Meneer F.C. werd geboren in Brugge op 7 juni 1942. Hij werd dood aangetroffen op zijn appartement in Kessel-Lo op 27 mei 2017. Hij was dan al enkele dagen overleden. De asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 6 juni 2017 op de Leuvense stadsbegraafplaats. Dichter van dienst was Mustafa Kör. Verslag door Peter Mangel Schots.

Zou het een arbeidsongeval geweest zijn, of een ongeluk bij het sporten? Of zou hij permanent invalide zijn? Het zijn de vragen die ik me stel wanneer ik de man op krukken naar buiten zie huppelen en door zijn tuin schoppen. Hij is mijn laatste redmiddel, dus wenk ik hem vanop de straat en roep of ik hem wat mag vragen. Hij gebaart dat ik naar het tuinpoortje moet komen.
De manke man is een buur van meneer F.C. Zijn tuin grenst aan een klein appartementsblok – drie etages, één flat per etage. Daar, op de eerste verdieping, woonde en overleed meneer F.C. In de terminologie van de ambtenarij: een woninglijk. Aangetroffen toen hij al meer dan een week gestorven was. Aanbellen op de benedenverdieping en op het tweede leverde me niks op.

Soms heb je het gevoel dat je tekortschiet, dat je het leven dat je ten uitvaart begeleidt niet afdoende hebt kunnen reconstrueren. Te weinig aanknopingspunten om op enkele dagen een helder beeld te krijgen van de overledene. Stukken en brokken, amper dat. Dan is het een kwestie van proberen en blijven proberen. Iedereen heeft er tenslotte recht op iemand te zijn.

Het is de begrafenisondernemer – de firma, zoals we hen anoniem aanduiden – die me enkele dagen eerder heeft opgebeld. Meneer F.C. werd dood gevonden in zijn appartement. Buiten de gegevens op zijn identiteitskaart weten ze niets van hem. Ik krijg een kopietje. Geboren in Brugge, net geen 75 jaar. De identiteitskaart werd uitgereikt in 2015. Was hij toen naar Leuven verhuisd?

Het zijn veel vragen die ik op te lossen heb. Het weer helpt me, de zon lokt de mensen naar buiten en zo tref ik dus de buurman-op-krukken in zijn hof. Aan het tuinpoortje praten we even. Ja, hij is op de hoogte van het tragische einde van meneer F.C. Dat mijn aanbellen niks heeft opgeleverd, verbaast hem niet. De benedenburen bijvoorbeeld, zijn verhuisd op de dag nadat meneer F.C. gevonden werd. Zou hen dat zo erg aangegrepen hebben, wilden ze niet blijven wonen waar een dode gelegen heeft, flitst het door mijn hoofd. Maar ik heb het verkeerd begrepen: ze zijn een paar dagen geleden ín het appartement getrokken. Toen meneer F.C. overleed, waren ze er nog niet, toen stond de benedenverdieping leeg.
De bovenburen hebben hem beter gekend, zegt hij. Maar die zijn vaak voor een aantal dagen weg. Zelf weet hij niet zoveel over meneer F.C. Een vriendelijke goeiedag op straat, meer contact was er niet. Ik bedank hem en zeg dat ik de volgende dag nog eens ga proberen. Veel tijd is er niet, meteen na het pinksterweekend vindt de uitvaart plaats.

Op pinkstermaandag zijn de bovenburen thuis.
Een vriendelijk koppel, late dertigers schat ik. Ze nodigen me uit om naar boven te komen, op de eerste verdieping wijst de man naar de deur. ‘Hier woonde F.’ Ze zagen hem vooral in de trappenhal. Een verzorgde man die graag een praatje maakte. Wel hing er altijd een walm van sigaren rond hem. Verder hadden ze vooral contact wanneer ze op reis gingen, dan lieten ze de sleutel van de brievenbus bij hem achter.

Het is nog altijd stralend weer, we gaan op het balkon zitten, aan de achterzijde van het gebouw. Ze zijn verbijsterd door wat er met F. gebeurd is. Nooit hadden ze kunnen denken dat hij zo eenzaam – of toch minstens alleen – was. ‘Soms was hij voor een paar dagen weg,’ vertelt de vrouw, ‘dan zei hij dat hij naar familie ging. We begrijpen het niet goed.’
De identiteitskaart van 2015 moet een vernieuwing geweest zijn, weten ze, wat F. woonde zeker al dertig jaar in dat appartement. En hij was vast een verstandig man. Zijn beroep was architect en hij las nog steeds tijdschriften over architectuur. Een anekdote vertellen ze me: hoe F. kregelig kon zijn wanneer de postbode een van zijn architectuurtijdschriften gevouwen in de bus had gestoken. Een detail kan veel verhelderen over een persoon.

Dan denken ze even na. Veel meer is er niet. Of ik nog eens wil vertellen wie wij precies zijn en wat we juist doen, vraagt de vrouw. En ze wil ook weten waarom? Of we dat doen voor de ziel van de overledene? Ze zijn daar wel mee bezig, zegt ze stil. Ik weet niet meteen een antwoord. Ik denk dat het voor ieder van ons, dichters, anders is. Ik benadruk het belang van een ritueel. Voor de overledene, maar ook voor de levenden. Dat is wel fijn, zeggen ze, te weten dat er bij ieders overlijden – ze mochten het zelf ooit maar eens zijn, je weet maar nooit – stilgestaan wordt bij de man of vrouw die naar de overkant wordt begeleid. We hopen samen dat meneer F.C. niet geleden heeft – het is een pijnlijke gedachte. Hij werd in de gang gevonden. Stel dat hij nog om hulp geroepen heeft en we waren er niet, fluistert de vrouw. Het was vast een hartaderbreuk of zoiets, sust haar man. Ik knik, zonder het zelf te weten, maar omdat die gedachte het best verteerbaar is.

Een dag later stormt het. Een briefje op de poort waarschuwt dat het kerkhof gesloten blijft voor bezoekers. Het is even wachten op de lijkwagen om naar binnen te kunnen. Die vervoert een man die morgen 75 zou zijn geworden.

Voor Mustafa is het zijn eerste eenzame uitvaart. Het grijpt hem aan, in de cultuur waar zijn roots liggen is zorg voor de buren een plicht. Loop eens langs, vraag of ze wat nodig hebben, hoort hij zijn moeder nog zeggen.

Er zijn onverwacht een paar mannen opgedaagd. Ze zijn van de wandelclub waarbij meneer F.C. zich had aangesloten. Zo gaat er toch weer een deurtje open. Maar, zeggen ze, ook tussen die mensen liet meneer F.C. weinig over zichzelf los.

Op de strooiweide aangekomen geeft de man van de firma het woord aan Mustafa.

Meneer F.C.

Ik ben uw dichter vandaag.
Niemand zit nog te wachten op poëzie.
Maar kijk, in uw laatste uur kruisten toch onze wegen. Poëzie bracht ons bijeen.
Dat is wat zij doet, door te dichten, opent zij deuren van het verlorene.

Ik wil daarom het volgende geloven.
U was niet eenzaam, u leefde op uw eigen. U kende de geneugten van het leven. Als architect had u daar oog voor: esthetiek, kunst. Een goede sigaar wist u te appreciëren; in mijn beleving nipt u daarbij van een Schotse whisky, decennia gerijpt in vaten die oorlogen onder tafels dronken. U was een hoedenman.

Ik ben ervan overtuigd dat u zelfs poëzieliefhebber bent. Want, laten we wel wezen, een beetje adept zoekt de stilte op, die leeft graag teruggetrokken. Om te lezen, gedachten te ordenen, is stilte vereist. Stilte is het mineraal voor kristallen.

U heeft het leven afgedragen. Tot wanneer de laatste zucht geen reactie meer kreeg, heeft u zich waardig gevoeld. Een volwaardig mens, kind van de aarde, dat hier hoorde te zijn, zoals de bomen, het gras. U leefde zo goed en zo kwaad als mogelijk en probeerde gelukkig te zijn. Brood en liefde, meer had de mens niet nodig.

Soms, bij het vlieden van de jaren, verweet u zichzelf dingen. U wilde wel, maar kon niet altijd de juiste woorden vinden. Daarom las u graag. Een juiste formulering, een raak beeld, dat was als de koepel van een hof waar de zon op schijnt. Aarde en steen, dat waren uw pen en papier. De bouwstenen die zijn gelegd, van wieg tot graf. Uw blauwdruk was strak, geen franjes. Daar deed u niet aan mee. Ontvluchtte u daarom de geboortestreek, te veel toerisme, te veel massa? En na die zomerliefde bleef u plakken?

Meneer F.C. Geboren en heengegaan, nobele onbekende. Ik moet iets bekennen: het steekt me werkelijk zeer dat onze wegen moesten kruisen.

Ik groet u
Mustafa Kör

En dan het aanraken van de urne, één voor één, het uitstrooien van de as, het is allemaal zo voorbij.
Een van de mannen van de wandelclub spreekt Mustafa nog aan: ‘Je gedicht was zo treffend. Jij hebt hem gekend?’
Het is een vraag die zo mooi is dat ze geen antwoord behoeft.