F.M. werd geboren in Luik op 24 november 2017 en overleed in het UZ Gasthuisberg te Leuven op woensdag 6 december 2017. De begrafenis vond plaats op donderdag 14 december 2017 op de Leuvense stadsbegraafplaats. Dichter van dienst was Peter Mangel Schots.

Meneer F.M.
Meneer…
Hoe afstandelijk en ongevoelig klinkt het dit keer.
In de dood is er geen onderscheid: rijk of arm, voorbeeldig of misdadig, een heiligenbeeldje of een charlatan, een baron of een schoenmaker: allemaal noemen we hen meneer – of mevrouw.
Maar een kind van twee weken oud? Eén keer, voor de eenvormigheid. En dan niet meer. Dan alleen nog F, baby F, engeltje F.

Het is dinsdagavond wanneer ik telefoon krijg van de pastorale dienst van een Leuvens ziekenhuis. Er is een kindje overleden en het zal begraven worden zonder zijn ouders. Of dat misschien niks voor ons is?
Het duizelt me. Nooit had ik verwacht ooit een kind een eenzame uitvaart te zullen geven. Hoe kan zoiets? Een sociaal assistente en een medewerkster van het pastoraal team doen me het verhaal van baby F.

De ouders van F. hebben het vermoedelijk niet breed. Ze zijn afkomstig uit een ver Europees land en daar wonen ze ook vaak, maar ze hebben kennelijk nog andere verblijfplaatsen en waren nu al een tijd op bezoek bij familie in België. Het zijn nog jonge mensen, maar het kind van wie de vrouw op 24 november beviel, was niet hun eerste. Het jongetje kwam met een ernstige afwijking ter wereld. Tot ontzetting van de ouders, want de zwangerschap was probleemloos verlopen. De pasgeborene wordt naar Leuven getransporteerd, waar men een week lang alles doet om hem te redden. Op woensdag 6 december is alle hoop weg. In het bijzijn van de ouders wordt de baby nog gedoopt, hij krijgt de naam F. De dame van het pastoraal team praat nog een tijdje met de moeder. Die is ontzet, ze smeekt nog een keer of er echt niks meer kan gedaan worden om haar kindje te redden. Maar er is niks meer aan te doen. Een uurtje later verlaat de familie het ziekenhuis. Die avond sterft baby F.
De dag erna komen de ouders weer langs. Ze kunnen het nog altijd niet vatten, maar richten de blik ook al vooruit. Het leven heeft hen geleerd praktisch te zijn. Voor een begrafenis hebben ze geen geld. Bovendien keren ze al heel binnenkort terug naar hun land zoals gepland. De moeder neemt het lijkje nog even in haar armen. Dan zijn ze weg.
De sociaal assistente bekommert zich om F. en neemt de zaken in handen. De geboorte van F. is nog niet aangegeven bij de burgerlijke stand. Dat moet nog gebeuren vooraleer zijn overlijden in Leuven kan gemeld worden. De firma van de uitvaarten wordt gecontacteerd. Ook zij doen het nodige. En ze geven mijn gsm-nummer door. Dinsdagavond 12 december rinkelt mijn telefoon.

Op één dag tijd een gedicht schrijven is nooit gemakkelijk, maar dit keer heb ik voortdurend het gevoel tekort te schieten. Het zal nooit goed genoeg zijn. Een oudere persoon heeft een leven achter zich dat afgebakend is, met kinderjaren, studies, een beroep, soms een gezin. Mogelijkheden die één na één concreet werden – of net niet. Voor baby F. strekte zich nog een zee van mogelijkheden uit, waarvan er geen enkele werd ingevuld.
Iemand vertelt me een dag later over een recent overleden baby. Hoe de ouders van iedereen hulp kregen om het een plaats te geven, en hoe een mooie uitvaartplechtigheid, met muziek en ballons, voor troost en berusting had gezorgd. Ik probeer te vatten wat er in de ouders van F. moet zijn omgegaan. Telkens is er één gedachte die blijft hangen, tussen begrip en onbegrip in: zij hadden dit heel zeker ook anders gewild.

De begrafenis vindt plaats op donderdag, om 15 uur. Het laatste uur dat uitvaarten worden toegestaan op de stadsbegraafplaats. Wegens invallende duisternis. Het geldt in zomer en winter. Vandaag hoeft het niet later te zijn. De sneeuw van de voorbije dagen is weg, maar het is koud en kil.
Het is een uur waarop het kerkhof er verlaten bijligt. De lijkwagen staat eenzaam bij de poort. De man van de firma en de grafdelver komen over het kerkhof gestapt. We ontmoeten elkaar aan de wagen, schudden de hand.
‘Er komt zeker niemand meer?’
Ik geef zonder woorden aan dat ik dat inderdaad vermoed.
De grafdelver loopt terug naar de uithoek van het kerkhof waar de kinderen begraven liggen. De jongeman van de firma vraagt of ik wil meerijden. Ik bedank ervoor. Ik ga liever achter de lijkwagen aan lopen. De kleinst denkbare rouwstoet.
Het voertuig zet zich tergend traag in beweging richting kinderbegraafplaats. Het zijn tweehonderd ellendig lange meters. Voor mij schommelt en botst de corbillard over het grindpad. Er gaan duizend gedachten door mij heen. Ik denk aan de mensen die ik liefheb.

Achteraan op het kerkhof houden we halt. Wat verderop ligt een hoopje aarde. Het is bijna niks, zelfs voor een zandkasteel zou het te schamel zijn.
De jongeman opent de wagen. Ik verwacht een kist op maat van kinderen, een kist die misschien een derde kleiner zou zijn dan die van volwassenen. Op wat ik zie ben ik niet voorbereid: een smetteloos wit kistje, niet veel groter dan een schoenendoos. Boven op het deksel zitten zes vergulde knoppen. Het is geen kist die door vier lijkbidders gedragen hoeft te worden. Eén handpalm volstaat om hem naar de sokkel te dragen die bij de kuil is opgesteld.

Vaak worden bij de aanvang van de korte ceremonie enkele levensfeiten van de overledene opgesomd. Hier is er niks. Enkel twee datums en een naam. De jongeman spreekt de familienaam van F. op z’n Frans uit, terwijl ik hem in mijn hoofd altijd op zijn Italiaans had horen klinken. Het doet bijna komisch aan.
Ik zet een stap naar voren, haal diep adem, slik even en lees mijn gedicht voor F.

Schaapjes

Eén bladzij omgeslagen en je boek is uit
lang en gelukkig lezen hadden we je graag gewenst
beginnend met verhalen van een eerste kerst
en knuistjes die naar vlekken kaarslicht grijpen
en dan de lente, zomer, nog een zomer
tot je je opricht zonder handen als een koning
de wereld balancerend aan je voetjes
het coolste jochie van de peutertuin.

Maar onder ijzig ziekenhuislamplicht
ben je geboren met een hart dat klappertandt
je ouders ver van huis, jij ongeteld, uitgekwartierd,
geen tijd gekregen voor een hashtag om de wereld
te vertellen over ieder kind dat in je leeft:
ik ben Omran, ik ben Julie, ik ben Aylan, ik ben Melissa,
ik ben De Kleine Thomas uit de vondelingenschuif, ik ben
het kindje Jezus dat versmacht onder een berg geschenkpapier.

Verkruimelt in een land ver weg van hier je mama
van verdriet? Gaat elke spadesteek je papa door het hart?
Zal volgend jaar rond deze tijd een ander broertje
in jouw sokjes slapen? Het zal je naam zijn
die je in je laatste uren kreeg, die hen verbindt
met deze stad, dit lapje grond dat zij alleen vermoeden
en waarop wij staan als een reserveteam. Vrees niet,
we zullen op de uitkijk blijven, schaapjes tellen tot je slaapt.

Alle drie blijven we enkele seconden stil. Wanneer de mannen dichterbij komen, leg ik vluchtig mijn hand op het kistje. Zij doen hetzelfde. Dan wordt het in de kuil geplaatst. Ik kniel ernaast en leg het witte blad met het gedicht gevouwen op het witte hout. Ik hoef het zelfs niet te laten dwarrelen, de put is niet diep, mijn arm reikt ver genoeg.

Wanneer de grafdelver zijn spade neemt, loop ik met de jongeman terug naar de corbillard. We praten nog even na en bedanken elkaar.

Nog een tijdje dwaal ik over het kerkhof, langs de sterretjesweide en dan terug naar de kinderhoek. Het zandhoopje is alweer weg. Er staat een wit kruisje met de naam F.M.

Ondertussen begint de duisternis echt in te vallen. Het kerkhof zinkt weg in de avond. Wat verderop, in de binnenstad, trekt het gedruis van de kerstmarkt zich op gang.