Mevrouw F.V. werd geboren in Leuven op 6 november 1929 en overleed op woensdag 17 oktober 2018 in Leuven, in wzc Edouard Remy. De begraving vond plaats op woensdag 24 oktober op de Leuvense stadsbegraafplaats. Dichter van dienst was Mustafa Kör. Verslag door Peter Mangel Schots.

Honderden, duizenden mensen moeten er zijn die mevrouw F.V. gekend hebben, klanten in haar winkel of aan haar kraam. Maar vandaag zijn het hooguit een handjevol personeelsleden van woonzorgcentrum Edouard Remy die me kunnen vertellen dat F.V. ooit een viswinkel had op de Vismarkt en later op de hoek van de Mechelsestraat.
Ik zoek naar oude foto’s en vindt al googelend hoe die Vismarkt er vroeger moet uitgezien hebben. Tot eind jaren zestig werd die bijna helemaal ingenomen door de vishal, een soort kiosk waar fanfares op spelen, maar dan van immense afmetingen. Ze fungeerde als vismijn, waar handelaars de verse vangsten die Leuven binnengevaren werden, aan de man brachten. In de decennia ervoor, die mevrouw V. nog moet meegemaakt hebben, bruiste daar het uitgaansleven. Later verhuisde dat naar de Oude Markt.

Veel meer dan dat kom ik over mevrouw V. niet te weten. Ze was diep in de tachtig en leed aan dementie. Sinds 2009 verbleef ze in Remy, maar daarvoor al in andere woonzorgcentra. Haar opname was gerelateerd aan beginnende dementie. Dat ze uiteindelijk nog lang overleefde, komt omdat haar eetreflex intact bleef, vertelt afdelingshoofd Hans. Wat ze haar inlepelden, slikte ze weg. Chocoladepudding was haar favoriet. Veel mensen met dementie overlijden doordat ze niet meer eten, mevrouw V. was ook fel vermagerd, maar redde het.
Haar dagen vulde ze – of werden voor haar gevuld – met tekenfilms, die ze vanuit haar bed bekeek. Ze had een knuffel van Tweety, waar ze heel erg aan gehecht was. Een schamel houvast voor iemand die van de wereld niks meer begrijpt.
Op het einde kon ze zelfs de prikkels van tv niet meer verdragen. Er werden alleen nog kleuren op de muren van haar kamer geprojecteerd, waar ze rustig van werd. En er werd stille kerkmuziek gespeeld, Ave Maria. Van echt contact was er dan allang geen sprake meer, zegt Hans, het enige wat ze nog konden doen was haar eten geven, wassen en omdraaien in bed.

Het houdt me bezig. Telkens ik die nacht op een andere zij rol in bed en weer een aangename houding vind, bedenk ik me dat mevrouw V. dat niet meer kon. Gedoemd om te blijven liggen. Wachten tot het tijd is om gedraaid te worden. Hoe zorgzaam het personeel ook is, ik hoop dat ze niet veel meer voelde.
Wij, van de Eenzame Uitvaart, werden gecontacteerd omdat er niemand verwacht wordt bij de begrafenis van mevrouw V. Ze heeft nog een zoon, maar die zal er niet bij zijn. In Remy weten ze daar verder niets over – ze hebben die zoon nooit gezien.
En verder? ‘Tien jaar in de zorg, dan verdwijn je…’ Hans lijkt daar zelf van te schrikken, aarzelt even om de juiste woorden te vinden. ‘… in de onbekendheid.’
Jarenlang handel gedreven, maar toen ze stierf, op 17 oktober om 19 uur, was mevrouw F.V. helemaal alleen.

Een week later. De dag van de begrafenis is een druilerige dag. Aan de ingang staat getrouw de corbillard. Dichter Mustafa begeeft zich alvast naar het vers gedolven graf.
Terwijl de minuten wegtikken zonder dat er nog iemand opdaagt, wordt Mustafa bij het graf aangesproken door een zuster. Even is er verwarring – komt zij voor de uitvaart van mevrouw? Neen, ze is er om andere overledenen te bezoeken, maar ze wil wel even blijven om mee afscheid te nemen van F.V.
‘Hebt ge gene kou, manneke?’, vraagt ze bezorgd.
Dan arriveert de lijkwagen met de kist. De laatste plichtplegingen zijn voor Mustafa:

Mevrouw FV,

Vreemd toch. Dat u pas in mijn leven kon komen na uw overlijden. Uw dood is hetgeen dat ons verbindt. Heengaan om gevonden te worden, het lijkt een zonderlinge pelgrimage. We ontdekken mensen die we vergeten waren en daarmee even ook onszelf tegenkomen.

Want zie. Nu ik hier zo voor u sta voel ik een onbestemde last. Het bedrukt mij dat ik hier op deze herfstdag voor u verschijn met de kennis dat na mijn woorden uw relatie met het ondermaanse definitief eindigt. Hier, op een woensdag in het hart van Vlaanderen, hield u op met bestaan. Het helpt niet dat ik de enige ben bij uw laatste reis.

Het weinige over u moest ik als schelpen op een strand bijeen schrapen. U was een volkse madam. Kranig moet u zijn geweest. Oorlogen overleefd. Vele jaren commerçant. Hard labeur. De tand des tijds kon op u rekenen.

Het deed mij plezier te vernemen dat u een viswinkel had. Ik heb jaren als zelfstandige gewerkt, in zekere zin doe ik dat nog altijd. Ik kan, net als u, een pladijs smaken.
Een bord warm eten. Samen. Aan tafel. Gewoon werkvolk. Dat was u geheid.

Vertelt u mij, hoe komt een knuffel als Tweety in het leven van een oudere dame om er een onafscheidelijke band mee te krijgen? Dat beeld raakt me. Een knuffel, surrogaat voor troost die uitbleef. Uitbottend verdriet, gaat het door mijn hoofd.

Het stoort mij u niet voluit met naam en toenaam te kunnen toespreken. Privacy, weet u wel. Het klinkt onverhoopt cynisch. Iets waar u niets van doen mee had. Dat was uw gave, u was blijmoedig. Waarom denk ik dat juist dat gegeven ook uw ondergang werd? Zonder qui-vive ben je gezien. Als marktkramer wist u gauw genoeg hoe die dingen te plaatsen als een obligate dijenkletser van tijd tot tijd om de zaken gesmeerd te houden. U lachte oprecht.

Er staan platanen op dit kerkhof, de grond is ruim en glooiend. Ik zie eksters als landmeters rondstappen. Dit is uw lapje aarde.

Vandaag betreur ik privacyregels. Ik zou uw naam als guirlandes aan de gevels van de stad willen hangen. Als volleerde kramer wil ik passanten toeschreeuwen dat u, mevrouw FV, moeder, zelfstandige op rust, weduwe en patiënt, niet langer bent.

Vaarwel mevrouw.

Uw dichter Mustafa Kör

Rond de kuil valt een stilte. Het nonnetje stelt voor om nog een onzevader te bidden.
Dan is het weer even stil.
Wanneer ze weggaat, legt ze nog even haar hand op Mustafa’s schouder, alsof ze weet dat geen enkele eenzame uitvaart ons onberoerd laat.
‘Veel sterkte hé, manneke.’