Mevrouw J.G. werd geboren in Rotselaar op 5 december 1928 en overleed in wzc Booghuys in Leuven op zaterdag 1 juni 2019. De asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 11 juni op de Leuvense stadsbegraafplaats. Dichter van dienst was Alain Delmotte. Verslag door Peter Mangel Schots.

Bijna een sinterklaaskindje, denk ik wanneer de begrafenisondernemer haar geboorte- en sterfdatum opnoemt. Voor haar ouders moet het destijds zo aangevoeld hebben, een geschenk. Of hoop ik dat alleen maar? Is het alleen maar iets dat we voetstoots aannemen wanneer er een kindje geboren wordt? Waarom vergeten we zo gemakkelijk dat het misschien niet zo simpel is? Ook een eeuw geleden kwamen er ongewenste kinderen ter wereld. Van mevrouw J.G. zullen we het nooit weten.

Naast haar geboortedatum staat al enkele dagen ook een sterfdatum. Het is maandag wanneer de begrafenisondernemer belt. Mevrouw J.G. is op zaterdag overleden. Ze verbleef in woonzorgcentrum Booghuys. De begrafenis is gepland voor donderdag. Er wordt niemand verwacht.

Ik informeer bij de hoofdverpleegkundige van de afdeling waar mevrouw J.G. verbleef. Veel kan ze me niet vertellen. Omdat ze niet veel weet en omdat er zaken zijn die ze niet mag vertellen.
Maar bij het eerste wat ze zegt, duikt weer het beeld op van het kleine meisje dat mevrouw J.G. ooit is geweest. Van gestalte is ze namelijk altijd klein gebleven. Een mevrouwtje, als dat niet oneerbiedig klinkt. Maar wat haar aan lengte ontbrak, had ze in overvloed aan pit. Tot op hoge leeftijd kon ze fel uit de hoek komen. Kranig, levendig, haar op de tanden. Het maakte haar op de afdeling erg geliefd. Iedereen is aangedaan door haar overlijden. Ze zal echt gemist worden, zegt de hoofdverpleegkundige.
Wel begon ze de laatste tijd, tussen veel heldere momenten, ook wat last te krijgen van dementie – ze was ondertussen de negentig voorbij. Toen ze in 2015 in het Booghuys belandde, kon ze nog rondlopen, wat later kwam ze in een rolstoel terecht. De laatste weken was haar kaarsje langzaam gedoofd.

Wie mevrouw J.G. vroeger is geweest, bijvoorbeeld wat haar beroep was, daarover kan ik weinig achterhalen. In het Booghuys was daar weinig over bekend. Er werd ook weinig over gepraat. Het gerucht ging dat ze ooit in een klooster zou verbleven hebben, maar zeker is dat niet. Voor haar opname in het Booghuys verbleef mevrouw J.G. in Kortenberg, waar het Universitair Psychiatrisch Centrum zich bevindt. Daar wil de hoofdverpleegster verder niks over kwijt. Beroepsgeheim, zegt ze.
Wat wel zeker is: mevrouw J.G. is nooit gehuwd geweest en heeft geen kinderen. Een neef van haar is allicht nog wel in leven. Die is ooit één keer in het woonzorgcentrum opgedaagd, verder was er geen enkel contact met hem. Het enige wat ik verneem is: ‘Er moet daar ooit iets gebeurd zijn.’

Het zijn weinig gegevens waarop Alain zich kan baseren om zijn gedicht voor mevrouw J.G. te schrijven.
Twee dagen heeft hij.
Tot op woensdag de begrafenisondernemer opnieuw aan de lijn hangt. Er is een laatste wilsbeschikking opgedoken waarin mevrouw G. vraagt om gecremeerd te worden. Dat kan op korte termijn niet meer geregeld worden en aangezien er een pinksterweekend volgt, zal de uitvaart pas plaatsvinden op dinsdag 11 juni.

Die uitvaart is een erg eenzaam gebeuren. Af en toe daagt er bij zo’n gelegenheid toch nog iemand op, maar niet vandaag. Mogelijk zou er iemand van het woonzorgcentrum aanwezig zijn, had de hoofdverpleegkundige gezegd, maar dat is blijkbaar niet gelukt. Er zijn alleen de dame van de begrafenisondernemer en de kerkhofopzichter, die ook de asuitstrooiing doet.

Wat het nog treuriger maakt: even verderop vindt op dat moment de begrafenis plaats van een baby, door Nooit Vergeten. Nog geen baby zelfs, een sterrenkindje, dat geen tijd kreeg om te leven, wat een contrast met de negentig jaren van mevrouw J.G. Ik denk er spontaan bij terug aan de eenzame uitvaart van baby F. anderhalf geleden, aan wie nu zelfs geen wit houten kruisje meer herinnert.

Bij de urne van mevrouw J.G. leest Alain zijn gedicht.

HET WEINIGE DAT WE OVER JE WETEN
Voor mevrouw J.G.

1.

Wat we van je weten is zo weinig dat het lijkt dat je nooit iemand bent geweest.

Dat was je wel want je was geliefd – al was je rad en vinnig van tong.

Je moet van taal hebben gehouden: hoe diep die wel kan snijden, snoeien, schampen.

Met taal willen en kunnen we je daarom eren. Kunnen we je nog laten horen dat je iemand was.

2.

Wat je geweest bent: hier verblijft het nu voorgoed.

Op deze weide. Waar ook wij staan – die de juiste woorden voor je zochten en blijvend zoeken.

(Zal er een God voor je zijn? Een na-bestaan? En kun je ons van daaruit horen? Kunnen we elkaar nog in de taal ontmoeten?)

3.

Met het weinige dat je van jezelf onthield, trok je je langzaamaan met je rolstoel in een andere wereld terug – waarvan we niet weten of die de moeite loont. Of die wel een wereld is.

Of een wereld die even moeizaam uit zal vallen als deze waarin we je nooit hebben ontmoet.

4.

Al wie je heeft gezien: missen ze jou? Of mis jij iets, van het leven dat weinig was? De onwetendheid die we zijn?

We hebben je nooit ontmoet: met al het spaarzame dat we over jou weten, ontmoeten we elkaar in de onwetendheid die we voor elkaar zijn.

Die we met jou deelden en blijvend delen.

Dan spreekt de dame van de begrafenisondernemer, die heel meelevend is, nog enkele woorden uit. De man van het kerkhof vraagt aan Alain waar hij de as graag wil uitgestrooid zien. Het is voor het eerst dat Alain zo’n vraag krijgt, bedremmeld wijst hij een willekeurige plek op de strooiweide aan.

Na het uitstrooien van de as legt de dame een bloemetje op die plek.
Dan is het weer voorbij.

Op de achtergrond is heel de tijd een lawaaierige grasmaaier aan het werk geweest.
De wereld en zijn zotte zorgen.