Meneer K.K. werd geboren in Overijse op 6 augustus 1930 en overleed in woonzorgcentrum Betlehem in Herent op 16 oktober 2019. De asuitstrooiing vond plaats op woensdag 23 oktober op de begraafplaats van Herent. Dichter van dienst was Peter Mangel Schots.

Het kan snel gaan. Aan het eind van de zomer woonde meneer K. nog samen met zijn vriendin in een riant huis in Huldenberg. Twee maanden later wordt zijn as in alle verlatenheid uitgestrooid. Zo broos kan het sociale weefsel zijn.

Hoelang meneer K. al aan dementie leed, is moeilijk na te gaan. Zolang zijn vriendin bij hem woonde, werden de scherpe kanten er nog afgevijld. Maar toen die zelf naar een rusthuis moest gaan, ergens in het Brusselse, geraakte meneer K. op de dool. Hij zwierf soms doelloos door het dorp. Een maand geleden pakte de politie hem op, verward en onderkomen. Ze brachten hem naar Gasthuisberg in Leuven. Na twee weken aansterken werd hij overgebracht naar woonzorgcentrum Betlehem. Amper twee weken later overleed hij daar. Hij werd ’s nachts dood aangetroffen tussen zijn bed en de badkamer.

Het is de begrafenisondernemer die me op de hoogte brengt. De informatie is summier. Ze weten me te vertellen dat hij geboren was in Overijse en dat er sinds zijn overbrenging naar Gasthuisberg een bewindvoerder was aangesteld. Meneer K. had weliswaar drie zonen, maar na zijn scheiding tientallen jaren geleden was er geen contact meer. Een van hen werd opgebeld, maar hij wilde met zijn overleden vader niets te maken hebben. Op de uitvaart zal niemand aanwezig zijn.

Ik bel naar de bewindvoerder, meester Stevens. Ze kan me weinig vertellen. Het klopt, zegt ze, dat ze als bewindvoerder werd aangesteld, maar ze heeft nog niet de kans gehad om een uitgebreid dossier op te maken. Toen meneer K. in het woonzorgcentrum was opgenomen, is ze met hem gaan praten zoals dat gebruikelijk is. Maar dat gesprek leverde weinig op, meneer K. was erg verward.

In Betlehem kom ik niet veel meer te weten. Hoofdverpleegkundige Rosine kent meneer K. ook nog maar twee weken. Ze kan slechts een vaag beeld schetsen van een grote, slanke man, die er jonger uitzag dan zijn leeftijd, 89. Hij moet vroeger veel aan sport gedaan hebben en was de laatste tijd vermoedelijk erg vermagerd door een gebrek aan voeding. Allicht vergat hij thuis gewoon te eten. In het woonzorgcentrum genoot hij wel van de maaltijden. Hij was er slecht op zijn gemak in het begin, onwennig en onrustig, maar na een week was dat gebeterd. Hij begon er zich wat thuis te voelen, al vroeg hij vaak om naar buiten te gaan. Na een week had er iemand met hem een wandeling gemaakt, dat had hem opgekikkerd.
Over het verleden van meneer K. kan Rosine weinig vertellen. Hij leed aan dementie, diepgaande gesprekken waren niet mogelijk. Hij zei weleens iets over de oorlog. Over kinderen ook. Mogelijk had hij vroeger met kinderen gewerkt. Zelf had hij ook drie zonen, maar dat onderwerp was duidelijk taboe.

Bij gebrek aan meer informatie vormt een buurtonderzoek mijn laatste uitweg. Ik hoop in Huldenberg te weten te komen wie meneer K. precies was, wat hij in zijn leven gedaan had. Maar voor ik naar Huldenberg rijd, bel ik eerst met de lokale politie.
De dame die ik aan de lijn krijg is erg vriendelijk, maar kan me niet helpen. ‘U bent hier in het lokale kantoor. Dit is een dossier van de dienst interventie. Ik zal u met hen doorverbinden.’
Bij de dienst interventie weten ze niet veel meer dan ik zelf al achterhaald had. ‘Het klopt dat meneer K. opgevangen werd door een van onze teams. Maar verder heb ik daar ook geen gegevens over. Wie hij precies was? Daar kunnen ze u allicht in het lokale kantoor meer over vertellen. Ik verbind u door.’
De zaak van K. krijgt iets Kafkaiaans. Ik hoor opnieuw de stem van de behulpzame dame van zonet. ‘Neen, in onze gegevensbank staat geen verdere info. Zijn vriendin? Die zal hier uitgeschreven zijn uit het register nadat ze naar dat rusthuis vertrokken is, want over haar vind ik niks terug. Persoonlijk kan ik u ook niet helpen, meneer. De straat waar ze woonden ligt in Ottenburg, een deelgemeente van Huldenberg, daar ben ik niet zo bekend. Eigenlijk zou u best eens met de wijkagent van Ottenburg praten, die kent die mensen vast wel. Maar hij is nu net een maand met vakantie.’

Ottenburg is een dorp dicht tegen de taalgrens. Volgens Wikipedia telt het 2000 inwoners. Vanuit Leuven is het zo’n halfuurtje rijden. Ik ken het eerste deel van de weg, richting Huldenberg. Een smalle, bochtige en heuvelachtige baan, die in de spitsuren vrij druk kan zijn, maar die ook groene vergezichten biedt op het Hageland. In Neerijse ga ik linksaf, richting Terlanen. De omgeving wordt nog landelijker. Voor ik het dorpscentrum van Ottenburg bereik, passeer ik de straat waarin meneer K. woonde.
Het is een golvende straat die helemaal in het landschap past. Alle percelen zijn bebouwd met vrijstaande huizen, die geen van allen erg recent lijken te zijn. Schuin tegenover de woning die meneer K. moet bewoond hebben, vertrekt er net bezoek. Een auto wordt nagewuifd. Ik spreek de wuivende man en vrouw aan. Zestigers, schat ik, met wat goeie wil.

Ze luisteren geïnteresseerd, maar lijken niet erg bewogen of verrast door het overlijden van meneer K. Veel contact hadden ze niet met hem, maar hij was ook geen volslagen onbekende. Alleen was er nooit een hechte band opgebouwd, meneer K. woonde er tenslotte nog maar vijf jaar. Toen hij hier kwam wonen was hij al 84. Voordien zou hij in Huldenberg zelf gewoond hebben.
Welk beroep hij vroeger uitgeoefend heeft, daar kunnen ze geen antwoord op geven. Ze weten wel dat hij een jongere vriendin had. Die was zeker nog maar in de zeventig. En het waren nachtraven. De man van het koppel vertelt dat hij vaak ’s nachts om een uur of drie, wanneer hij zelf opstond om naar het toilet te gaan, nog licht zag branden achter het raam op de verdieping van meneer K. Dan waren ze daar blijkbaar nog tv aan ’t kijken. Overdag zag je hen nooit voor de middag.

Misschien weet de buurman meer. De man van het koppel loopt het hek rond, klopt aan de zijdeur, krijgt geen reactie en gaat naar binnen. De geplogenheden van het platteland, ten minste onder buren die elkaar vertrouwd zijn. Ik kan me voorstellen dat ze bij meneer K. niet zomaar binnenliepen.
Ondertussen vertelt de vrouw van het koppel dat ook hun rechte overburen, twee huizen naast dat van meneer K., niet zo lang geleden gestorven zijn. Dat huis, verscholen tussen dennenbomen, staat sindsdien leeg. Het lijkt me een buurt met wel meer ouderlingen, maar ik zeg niets.

Een weinig later duikt de buurman toch op. Die is al wel een keer bij meneer K. over de vloer geweest. Dat was een beetje slalommen. Meneer K. verzamelde van alles en nog wat. De garage stak vol, het huis was onderkelderd en die kelders waren ook helemaal gevuld. Er was soms maar een smal gangetje vrij.
‘Was hij niet zowat kunstenaar?’ Het is meer een mededeling dan een vraag die de vrouw van het koppel stelt. ‘Pottenbakken of zo? Ik heb dat eens bij de kapper gehoord.’ Ze kijkt verontschuldigend naar mij. ‘Daar hoor je die dingen.’
De buurman kan het niet bevestigen. Zoveel contact had hij ook niet met meneer K. De zoon van de overbuur ging er soms het gras afrijden, maar die zal ook wel niet veel meer weten. En die is bovendien niet thuis, dat weten ze wel.

Dat meneer K. overleden is, ze hadden het niet geweten als ik het hen niet verteld had. We denken op dat moment hetzelfde: zou zijn vriendin ervan weten? Allicht niet. Die zit nu in een rusthuis. In Jette, zegt de buurman, die denkt dat ze Kenneth heette. De vrouw van het koppel vindt het vreemd: ‘Dat is toch geen naam voor een vrouw?’ Ook over die vriendin weten ze verder weinig, alleen dat ze wat jonger was. ‘Maar ook K. zag er nog goed uit’, zegt de buurman. ‘Hij was nog sterk en sportief. Tennis, geloof ik.’

Met de twee mannen steek ik schuin de straat over naar het huis van meneer K. We hopen via de oprit in de tuin te komen, maar het hek is vastgemaakt met een hangslot. De lap grond lijkt vrij groot te zijn. ‘K. was wel een groene jongen’, gelooft de buurman. Verder is er weinig te zien. De ramen in de zijmuur, allicht van de garage, zijn van mat glas. Hier en daar zie je dat er iets voor die ramen staat. Verder vallen alleen twee schotelantennes onder de dakgoot op.

We gaan terug. De buurman vertelt nog een anekdote. Enkele weken geleden sloeg meneer K. alarm omdat hij niet in zijn auto geraakte. Er kwam zelfs politie aan te pas. Uiteindelijk bleken de sleutels in zijn broekzak te zitten. En zulke dingen gebeurden de laatste tijd wel meer. Dan doolde hij door het dorp, liep hij bij mensen binnen en wist hij niet waar hij was. De politie kwam hem dan halen.
Ik neem afscheid van de twee mannen. Ze beginnen een gesprek over iets anders.

Thuis google ik nog even de naam K.K. en vind één hit. Enkele jaren geleden was er in Huldenberg een tentoonstelling van lokale kunstenaars. Ze duurde maar één zondag. Tussen de namen van de exposanten staat ook K.K.
Misschien zou ik via die andere namen nog iets kunnen achterhalen, maar daarvoor ontbreekt de tijd. Hier houdt het op. Hier begint het dichten.

Een week voor Allerheiligen is er beloop op de begraafplaats van Herent. Ik groet de kerkhofopzichter en de man van de uitvaartondernemer. Die wordt enkele keren op het verkeerde been gezet. Zouden die mensen voor meneer K. komen? Of dat koppel? Het is telkens vals alarm. Voor meneer K. komt er niemand.
Om twee uur stipt stappen de opzichter en ik achter de lijkwagen naar de strooiweide. Onder de treurwilg geeft de man van de uitvaartondernemer mij het woord.

Leegte
– voor K.

Wat we ons niet kunnen voorstellen
verzamel je in kamers, gangen, kelders, je put
je uit in het stapelen, optassen, aanstouwen, hergroeperen

het aanleggen van collecties en je vergeet
of ze iets betekenen
vast wel, zoals het nachtblauw breedbeeldschijnsel iets betekent

waarin je de dag nog enige uren tracht te bewaren
je kunt niets wegdoen
waar je nog grip op hebt tenminste

je tijd af te meten aan de ruimte die slinkt
tot een loopgraaf tussen rekken, waar alles vol is
is geen plaats voor de leegte

die zich steeds verder je hoofd in vreet
je verzamelt perziken en aait hen over de zachte schedel
je grijpt de hand van je geliefde als een moeder

in het dorp ga je op zoek naar verloren speelgoed-
auto’s, de sleutels in je broekzak rinkelen
als een schoolbel, het is te laat

om te weerleggen, in de wijzers
van de klok herken je windmolens, in drie keramieken jardinières
zonen.

Na de korte plechtigheid, die zoals steeds niet meer dan tien minuten in beslag neemt, wandel ik de oprijlaan af naar de overkant van de straat. Daar ligt woonzorgcentrum Betlehem. Het is een kaal gebouw. Vanop de bovenste verdieping kunnen de bewoners vast het kerkhof zien. Een dagelijkse blik op wat mogelijk hun laatste verblijfplaats wordt.

Over het trottoir lopen enkele tienermeisjes die rolstoelen met bejaarden voor zich uit duwen. Ze hebben allemaal, meisjes en patiënten, een rode roos in de hand. Ze slaan de oprijlaan naar het kerkhof in.