Mevrouw R.F. werd geboren in Leuven op 4 april 1936 en overleed in het UZ Gasthuisberg in Leuven op 21 januari 2020. Daarvoor verbleef ze in wzc Remy. De begrafenis vond plaats op dinsdag 28 januari op de stadsbegraafplaats van Leuven. Dichter van dienst was Mustafa Kör. Verslag door Peter Mangel Schots.

Op maandag zit ik met een studievriendin in een kleine, gezellige koffiebar aan de Brusselsestraat een latte te drinken. Op het schaaltje tussen ons in twee piepkleine gebakjes. We praten bij, spreken over onze familie, over het werk. Ze wil meer weten over De Eenzame Uitvaart, het fascineert haar, zoals het veel mensen fascineert, met een mix van compassie en gedeeld verdriet. Ik vertel haar over meneer JBN, wiens boeken zijn beste vrienden waren, en over meneer JB, die al enkele weken overleden was voor men hem aantrof in zijn appartement. Maar ik zeg haar ook dat de meeste mensen die een Eenzame Uitvaart krijgen, niet noodzakelijk een eenzaam of ongelukkig leven hadden. Vaak zijn ze ongehuwd en kinderloos, van een respectabele leeftijd, en verblijven ze al lange tijd in een rusthuis. Sommigen leiden daar een behoorlijk leven tussen lotgenoten. Ik vertel haar ook over de dame die we een dag later zullen begraven en die helemaal aan dat plaatje voldoet.

Mevrouw R.F. overleed na een kort ziekbed in Gasthuisberg, slechts een week nadat ze een infectie had opgelopen. Ze verbleef al meer dan tien jaar in woonzorgcentrum Edouard Remy. Nadat ik op donderdag het bericht kreeg van de begrafenisondernemer en onder mijn collega-dichters iemand had gevonden die beschikbaar was om het gedicht te schrijven – het wordt Mustafa – verzamel ik op vrijdag wat informatie in Remy.
Mevrouw F. was graag gezien op haar afdeling van het woonzorgcentrum. Ze was wel wat je ‘een pittige tante’ zou kunnen noemen. Als iets niet met haar zin was of iemand reed tegen haar kar, dan had men het geweten! Maar meestal was ze erg vriendelijk en heel dankbaar voor alles wat men in het woonzorgcentrum voor haar deed. Verwanten had ze niet. Geen man of kinderen. Er is sprake van een verre nicht, maar die heeft men blijkbaar niet kunnen opsporen. Bezoek was er nooit voor mevrouw F.
Het beeld dat ik vervolgens krijg, is van een intelligente en kunstzinnige dame. Op haar afdeling in Remy werd al eens een quizje georganiseerd voor de bewoners en daar deed ze graag aan mee – ze kende vaak alle antwoorden. Ze hield ook van klassieke muziek. In haar dossier staat nog meer. Ze was opgeleid aan het conservatorium, ze speelde piano. In het dagelijks leven werkte ze bij een bank, aan het loket en ook als typiste. Het is een treffend verband: altijd met een klavier en toetsen in de weer, was het niet van de piano – haar passie, vermoed ik – dan wel van de schrijfmachine – allicht een noodzakelijke job om den brode. Ik durf te wedden dat mevrouw F. liever van de muziek had geleefd.
Tot het einde was mevrouw F. helder van geest. En gedisciplineerd: ze had diabetes en als iemand haar iets met suiker aanbood, dan sloeg ze dat steevast af. Daar hoefde niemand haar op te wijzen. Maar twee weken geleden had die schrandere dame dus een infectie opgelopen en die werd haar verrassend snel fataal.

Na dit positieve verhaal neem ik afscheid van de studievriendin. Een week later, uitgerekend wanneer ik dit verslag schrijf, zal het plaatje van de eenzaamheid toch weer anders ingekleurd worden. Dan is er in Sint-Truiden een man aangetroffen in zijn appartement, een sociale woning. Hij was al twee maanden overleden. Het klinkt wrang op zo’n moment, sociale woning.

Een dag later. Ik arriveer op het kerkhof. Bij de ingang staat de lijkwagen. Mustafa wacht in zijn rolstoel bij de kuil die al gedolven is. De man van de begrafenisonderneming bevestigt: er zal niemand meer komen. Om vijf voor twee schakelt hij de wagen in eerste versnelling. Ik volg in zijn spoor.
Bij de kuil begroet ik Mustafa en de grafdelvers. De kist wordt uit de wagen geladen. En ook een houten kruis met in witte letters de naam van mevrouw R.F. Nu pas merk ik een grappig verband tussen haar voor- en achternaam.
We komen alle vijf wat dichter en dan neemt Mustafa het woord.

Mevrouw RF,

Een kleine week geleden heb ik uw naam te horen gekregen.
Die ene telefoon waar je op een bevreemdende manier op anticipeert.
De mens is nieuwsgierig van aard. Wie was u? Wat deed u in het leven? De batterij aan vragen die ons tussen baren en dood bezighouden.

Bij het vernemen van uw tot de verbeelding sprekende naam, had ik amper gegevens over u. De plaats waar u bent geboren, hoe oud u bent geworden, en waar u een laatste ademteug hebt genomen. Bijna klinische gegevens.

Uw naam bleef hangen, als subtiele cologne. Roze zwemen riepen een zangeres op, een grande dame, een jurk, piano. Klassieke muziek. Odes. Aan het leven, de liefde.
Vergeef de romanticus in mij.

Een dag later kreeg mijn vermoeden bevestiging. Een glimp op uw leven, in de vorm van e-mail en verslagen, die me ook de harde waarheid onder ogen hielden.
U was een pianist, opgeleid aan het conservatorium. U wist wat u wilde. Hield van klassieke muziek. Sprak meerdere talen. Werkte in een bank. Leerde graag, was geïnteresseerd in de wereld. U las, graag en veel. En u stierf alleen.

Ik probeer me u voor te stellen in uw laatste momenten.
In het helle licht van ziekenhuisgangen. Een kunstzinnige dame, polyglot, een en al karakter, geveld door een infectie. Ik ben het met u eens, het leven is een prachtig theater.
Ik durf te hopen dat u omringd was door mensen met het hart op de juiste plek. Dat een bedreven hand u troostte. Dat u zacht heenging.

Ze spreken goed over u. Het rusthuis zal u missen, in de avonden, bij het quizzen.
U was een aangename dame.

Wiens zwanenzang ongehoord bleef.
Tot aan de nachtelijke schrijftafel van een dichter.

Ik sprak vannacht uw naam luidop. Tot driemaal toe.
Buiten tikte de regen tegen de rolluiken. Een soort geroffel voor de aankondiging.
Het zwol aan. Ik riep uw naam, een laatste keer.
Alsof ik gastheer was en u in volroze het podium betrad.

Vaarwel mevrouw,
Uw dichter, Mustafa Kör

Na een korte stilte leggen we een voor een onze hand op de kist. De man van de begrafenisondernemer vraagt of we erbij willen blijven terwijl ze de kist aan touwen in de kuil laten zakken. We blijven. Het blad met Mustafa’s woorden dwarrelt mevrouw R.F. na.

Wanneer we ons weg van het graf begeven, langs een beter aangelegd pad dan de brede laan die de lijkwagen volgt, breekt opeens de zon door de wolken. Ik wijs Mustafa erop en hij verrast me: ‘Daarnet, voor je er was, zei een van de grafdelvers dat dat een teken is. Een teken dat de overledene een goed mens was.’ We glimlachen. Dat zou vandaag best kunnen zijn.