Meneer E.V. werd geboren in Leuven op 14 februari 1931 en overleed in het UZ Gasthuisberg in Leuven op 9 juli 2020. De asuitstrooiing vond plaats op woensdag 12 augustus op de stadsbegraafplaats van Leuven. Dichter van dienst was Paul Bogaert. Verslag door Peter Mangel Schots.

Er zijn mensen die bij leven niet worden opgemerkt en er zijn er die zelfs na hun dood nog worden vergeten. Meneer E.V. lag wekenlang in het mortuarium van Gasthuisberg. Een personeelslid dat met vakantie vertrok, een schakel die brak in de keten van de communicatie, een hiaat in een dossier, het is niet eens onbegrijpelijk, de zorgsector kreunt. Al een hele tijd, corona heeft dat alleen maar verergerd.

Eind juni werd meneer E.V. met een hoofdwonde en een rugletsel naar het ziekenhuis gebracht. Hij was gevallen bij het aan- of uittrekken van een kous. Zijn buren in het appartementsblok hadden hem horen roepen. Het was ernstig, hij kon niet meer lopen. In de kliniek stelde men vast dat het zelfs heel ernstig was, want vrij snel werd overgegaan tot palliatieve sedatie. En dan werd meneer E.V. vergeten.

Het zijn die buren, Mimi en Roger, die me het verhaal doen. Ik kreeg hun nummer van de begrafenisondernemer, die zelf niet zoveel informatie had over meneer E.V. Alleen een geboorte- en sterfdatum, al is zelfs die laatste niet helemaal zeker, het zou ook de achtste kunnen geweest zijn. De geboortedatum valt me op: Sint-Valentijn. Alleen vierde men dat in die tijd nog niet en dus zullen zijn ouders daar ook niet bij stilgestaan hebben. Veertien februari, een dag als een andere.

Ook de vrijdag dat ik het telefoontje krijg van de begrafenisondernemer is een dag als een andere. Of misschien toch net niet. Het is een bloedhete dag in een rijtje van bloedhete dagen. Het is de heetste hittegolf die we ooit kenden. Een augustus waar de Poolse schrijver Bruno Schulz een eeuw geleden de woorden voor vond: ‘Dicht verstrengeld laaiden grassen, onkruid, struiken en distels op in het vuur van de dag. (…) Wadend in goud knepen de voorbijgangers hun ogen dicht tegen de hitte, alsof er honing aan kleefde.’ De begrafenisondernemer geeft me het telefoonnummer van de buren.

Bezoek bij vreemden is af te raden in coronatijden, dus bel ik. Een gesprek van het ene puffende appartement naar het andere, waar ramen hermetisch gesloten worden en behangen met doeken en zilverpapier om de loeiende zon buiten te houden.
Mimi geeft me haar man door. Die kan er meer over vertellen, zegt ze. Roger schets een beeld van meneer E.V.
E. was een heel vriendelijke en aangename man, zegt Roger, een intellectueel ook, die hield van klassieke muziek. Hij woonde alleen, maar was niet eenzaam. Hij was graag op zichzelf, ‘hij vond zichzelf goed gezelschap’ – ik hoor Roger gemoedelijk monkelen. Af en toe gingen hij en Mimi bij E. op bezoek, maar dat hoefde voor E. nooit lang te duren. Ze hielpen hem ook met praktische dingen, Mimi met de was, Roger met technische klusjes, het vervangen van een lamp of zo.
E. is nooit getrouwd geweest en had geen kinderen. Men vermoedde alleen maar wat daar de reden van was. Een zus had hij wel, maar met haar was het contract al lang verbroken, zij had haar eigen demonen te bedwingen.
Het leven van E. verliep de laatste jaren zeer geregeld, misschien omdat hij vroeger op een bank gewerkt had. Hij stond op om vijf uur en nam om zes uur al de eerste bus naar het centrum. Dan ging hij ergens een koffie drinken en een croissant eten. Heel de dag pendelde hij over en weer, tegen de middag had hij vaak al drie keer het traject van zijn appartement naar het stadscentrum afgelegd. Ik denk aan al die mensen die hem moeten gekend hebben als een man die ze dagelijks kruisten, buschauffeurs die hem vervoerden, obers die hem bedienden. Als ze tenminste geen late shift hadden. Rond vier uur in de namiddag ging E. al slapen.

En dan is er die avond eind juni. Het geroep. De paniek allicht. Roger en Mimi die E. vinden naast zijn bed. De ambulance. De laatste keer dat E. zijn appartement verlaat.

Enkele dagen later krijgen de buren telefoon van Gasthuisberg. Ze worden op de hoogte gebracht van de ernstige toestand waarin meneer E.V. verkeert. Het zal niet lang meer duren.

Vervolgens horen ze enkele weken niets meer. Bezoek van derden is in coronatijden niet mogelijk. Roger en Mimi blijven in het ongewisse. Tot iemand in het mortuarium zich afvraagt wat er met meneer E.V. moet gebeuren, de keten der communicatie wordt hersteld, een dossier opgevist.

Woensdag 12 augustus. Het is nog een etmaal wachten op de verlossing van verkoelend onweer. Om twee uur, wanneer de zon in zomertijd op haar hoogste punt staat, zoeken de meeste mensen beschutting achter zware gordijnen in de sluimerende huizen.
Op het kerkhof staat een corbillard te schitteren in het licht. En wat ergens kon verwacht worden, maar door de hitte toch een onzekerheid bleef: aan de poort staan ook Mimi en Roger te wachten. Paul heeft het niet gewaagd om met de fiets te komen zoals gewoonlijk. Hij kijkt wat onwennig rond. ‘Gewoon op de groene knop drukken’, zegt de uitvaartmedewerker. Wie op de groene knop drukt, krijgt een gratis ticket voor een kwartier parkeren.

Op het pad naar de strooiweide hoort men meestal alleen de zachte motor van de lijkwagen en schoenen op het grind. Maar Roger heeft het hart op de tong. Hij vertelt luid en honderduit over zijn overleden buur. Dat het een aangename man was. Een bemiddeld man ook, dat mag geweten zijn. En dat hij heel goed wist wat hij wou. En dat hij al zijn ramen aan de binnenkant had dichtgeplakt met tape, tegen de tocht. Dat hij graatmager was. Een waterval van details. Als de uitvaartmedewerker even later de urne op het stenen verhoog naast de strooiweide plaatst, vertelt Roger nog dat E. héél hoge elektriciteitsfacturen had.
Paul onderbreekt de informatiestroom door zijn gedicht uit de envelop te halen en het woord te nemen: ‘Mijnheer E. V. werd geboren op 14 februari 1931 en overleed op 89-jarige leeftijd op 9 juli 2020 in Leuven. Op basis van de informatie die jullie ons bezorgden, schreef ik voor hem dit gedicht.’

Vroege vogel.
Liefhebber van de klaarlichte dag, van retour
na retour naar uw binnenmuren.
Volgens de buren.

Menig menig uur hebt gij
met uzelf alleen gesleten en genoten;
in goed gezelschap vondt ge u zelf alleen.
Volgens de buren.

Ochtendmens, met in uw hoofd
in de plaats van kredieten en cheques,
partituren, fuga’s en subtiliteiten.
Volgens de buren.

Zoekmachine, steeds op zoek
naar cafeïne, de schaduw aan het meer
van hetzelfde, het ongeziene,
in de lus van de bus. Volgens de buren.

In het centrum vondt ge kleine variaties
in de temperaturen, in het silhouet
van een zus, door observaties
van de generaties, de eeuwige jeugd.

Zo wordt elke dag een studiedag.
Gij moet het vallen van de nacht
nu niet meer mijden.
Dit alles terzijde.’

Waar mag de as uitgestrooid worden? We kiezen voor een plek in de schaduw. Er staat een beetje wind. Roger wrijft in zijn ogen. ‘Schoon gedicht, jong, ik was efkes, awel, ontroerd. Mogen we dat hebben?’ Paul aarzelt – het virus. Maar hij geeft het. Mimi steekt de envelop in haar handtas.

We stappen terug naar de poort. Roger komt meteen weer op dreef. Dat mijnheer V. lang voor zijn moeder heeft gezorgd, die 106 jaar geworden is! Op de parking nogmaals het verhaal van de kous. Gewoon achterover gevallen. Een banale beweging. Jaja. Mimi en Roger bedanken Paul, die hen bedankt voor wat zij voor mijnheer V. betekend hebben. Een beetje verward, zo zal hij me achteraf laten weten, stapt Paul weer in de auto. Hij heeft vier minuten parkeertijd over.