Mevrouw G.S. werd geboren in Boedapest op 19 augustus 1964 en overleed in het UZ Gasthuisberg in Leuven op 13 mei 2021. De asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 25 mei op de stadsbegraafplaats van Leuven. Dichter van dienst was Alain Delmotte. Verslag door Peter Mangel Schots.

Hoe iemand is, zo is ook zijn schaduw. Het is naar verluidt een Russisch spreekwoord. Ik weet niet of mevrouw S. ooit Russisch geleerd heeft – onderwezen ze dat nog in het Hongarije van de jaren zeventig? Wat ik wel weet, is dat mevrouw S. twee verschillende schaduwen had, de ene wat donkerder dan de andere. Het zou even duren voor ik daarachter kwam.

Na het telefoontje van de begrafenisondernemer vraag ik me af of ik dit keer wel voldoende informatie ga kunnen vinden. Mevrouw S. was afkomstig uit Hongarije. Ze was gescheiden, zonder kinderen, en had hier alleen haar moeder, die een tijdje geleden zou overleden zijn. Een netwerk leek ze hier niet te hebben. Haar vertrek uit Hongarije, wanneer dat ook was, zou in moeilijke omstandigheden hebben plaatsgevonden. Er zijn speculaties over ‘een vlucht’. Verder krijg ik alleen de geboorte- en overlijdensdatum – wat was ze nog jong om te sterven! – en een adres. Maar ik vrees dat een buurtonderzoek in coronatijden weinig zal opleveren.

Daarom probeer ik het eerst op de palliatieve dienst van Gasthuisberg, waar ze mevrouw S. in haar laatste dagen begeleid hebben. Ik krijg een dame aan de lijn die net in een vergadering zit, ze zal me terugbellen. Ondertussen waag ik mijn kans bij het pastoraal team van het UZ – je weet maar nooit.

Pastor Anne kijkt het even na. Ze bevestigt dat G.S. bij hen bekend is en ik vind dat meteen een troostende gedachte. Anne gaat navraag doen wie van het team G.S. bijgestaan heeft en me iets laten weten.

Wat later belt de dame van de palliatieve dienst me terug. Ze klinkt erg vriendelijk en geïnteresseerd. Ze hoort me uit over het project De Eenzame Uitvaart en ik vertel haar uitgebreid wat we doen, hoe we omgaan met gevoelige informatie, wat we proberen te betekenen voor de overledenen en de maatschappij. Ze vindt het waardevol, het aanwezig stellen van de overledene bij de uitvaart, de rituelen. Ik voel hoe ze ermee begaan is, maar ik merk ook een aarzeling in haar stem.
‘Jullie komen vast veel tragische levens tegen.’
Dat gebeurt, zeker, maar ik leg haar uit dat het niet altijd zo gaat. Soms zijn het ook mensen die een goed leven gehad hebben, oud geworden zijn in een woonzorgcentrum en daar hun wereld stilaan zagen verkleinen. Sommigen waren ondanks alles gelukkig tot hun laatste dagen. Maar ik voel wel dat ze het over mevrouw S. heeft.
‘Dit was een tragisch leven.’
Ik verzeker haar dat we respectvol zullen omgaan met alles wat ze me wil vertellen. Ze zegt dat ze het op de dienst moet bespreken, want er bestaat natuurlijk zoiets als een beroepsgeheim. Ze vraagt wat ik al weet over mevrouw G.S.
‘Dus je hebt haar adres?’ Ze lijkt te aarzelen. ‘Dan zul je daar misschien wel iets te weten komen. Ik contacteer je wanneer we vergaderd hebben.’

De straat waarin mevrouw G.S. woonde, ligt bijna bij mij om de hoek. Het is een lange, smalle straat met aan beide kanten vooral rijtjeshuizen, ik wandel vaak door het eerste gedeelte. In het tweede deel van de straat, over het kruispunt, staan enkele grotere gebouwen. Waar mevrouw G.S. woonde, moet vroeger een rijke familie geresideerd hebben. Het is opgetrokken in speklagen van rode en gele baksteen en lijkt groot genoeg om een klein schooltje te herbergen. Wanneer ik weer thuis ben en het opzoek, leer ik dat het sinds 1992 in handen is van een socialehuisvestingsmaatschappij.
Een trapje leidt naar de statige dubbele voordeur. Die staat open en geeft uit op een halletje met brievenbussen en een tweede, moderne voordeur. Ik bel aan bij het appartement naast dat van mevrouw G.S. en vraag de buurman of hij even naar beneden wil komen om iets over zijn buurvrouw te vertellen. Dat kan, als het niet te lang duurt, hij is net aan het eten.
Een man van rond de dertig maakt de deur van het halletje open. Ik vraag hem naar mevrouw S.
Het zeer korte gesprek dat volgt, zou ik bijna woordelijk kunnen weergeven, maar daar is niemand bij gebaat. De buurman heeft mevrouw S. al een tijdje niet gezien, zegt hij. Dat de reden daarvan is dat ze dood is, lijkt hem maar matig te interesseren. Wat direct heel duidelijk wordt, is dat ze haar demonen trachtte weg te wissen op een manier waarop eenzamen dat soms plegen te doen. Dat leidde tot heftige conflicten, die soms fysiek werden. De buurman had een proces aangespannen wegens beschadiging van eigendom. Verder was er geen contact en dat gold ook voor de andere buren, geeft hij aan. Op mijn laatste vraag, of hij weet welk beroep ze had, wat ze in het leven deed, antwoordt hij schouderophalend. Dat ze waarschijnlijk de godganse dag maar één ding deed.

Ik toets op mijn telefoon een bericht in voor de dame van de palliatieve dienst: ‘Ik denk dat ik net een glimp heb ontvangen van dat tragische leven.’
Ik wis het weer.

Een dag later belt ze me op zoals beloofd. Ze zegt dat het intern besproken is en dat ze besloten hebben om helemaal niets te vertellen. Of ze meer zouden kúnnen vertellen? Ook dat wil ze niet kwijt. Maar ze benadrukt nogmaals dat ze het apprecieert wat we doen. Tenslotte was G.S. – ik geloof dat ze het zo zegt – van God en de wereld verlaten.

Vlak daarna belt Anne van het pastoraal team. Ze wil graag vertellen hoe de mensen die G.S. verzorgd en bijgestaan hebben, haar kenden. Anne beschrijft een vrouw met mooie, heldere ogen. Op het einde kon G. niet veel meer zeggen, maar ze kon heel intens kijken. Ze was een lief en zachtaardig persoon, zegt Anne, behalve wanneer ze een crisis doormaakte. Bij het verplegend personeel was ze geliefd, ze had de gave om mensen te ontroeren. De voorbije jaren was ze wel vaker opgenomen, in verschillende instellingen. Over haar verleden sprak ze zelden, ten tijde van haar huwelijk en scheiding woonde ze hoogstwaarschijnlijk nog in Hongarije.
Verder vertelt Anne me kleinigheden die altijd helpen om een beeld van iemand te vormen. G. hield van muziek, vooral uit de jaren tachtig. Ze hield ook van gezelschap, zolang het beperkt was, het mocht niet te druk worden. Ze was verzot op ijsjes, die ze in haar laatste dagen vaak at. En ze was graag buiten, in de natuur. Helemaal op het einde hebben ze haar nog even in een ligrolstoel naar buiten gereden, het licht in.
Ik hoop zo erg dat het toen een mooie dag was.

Al wat ik te weten gekomen ben, maak ik aan Alain over. Het is veel meer dan ik aanvankelijk had gehoopt. En nog eindigt het niet. Tijdens mijn avondwandeling stuurt Anne me nog een sms.
G. was niet alleen dol op ijsjes, maar nog meer op Bounty’s. Het is een merkwaardig detail: hoezeer moeten de zorgverleners niet om haar bekommerd geweest zijn dat ze zich dat herinneren. Anne schrijft ook dat G. een bijzondere band had met een bepaalde verpleegkundige die naar de uitvaart zal proberen te komen. G. noemde haar altijd principessa. Ik citeer verder letterlijk Annes bericht: ‘Die verpleegkundige is haar nog in GHB komen bezoeken, toen deed ze haar ogen open en zei ze ‘Bongiorno principessa’. Een heel mooi en intens moment en bijna het laatste dat ze bewust zei.’

De dinsdag na het Pinksterweekeinde is het somber en grijs, zoals bijna de hele meimaand was. Bij de kerkhofpoort zie ik Alain en twee vrouwen. Ik leg mijn fiets aan de ketting en begroet hen. Geen moment twijfel ik, tegen de kleinste, oudste en blondste van de twee zeg ik spontaan ‘dag principessa’. Ze knikt. Nancy heet ze, en ze heeft Davine meegebracht, een collega van Sint-Kamillus.
Wanneer we naar de strooiweide willen vertrekken, begint het te motregenen. De man van de begrafenisonderneming biedt hoffelijk een paar paraplu’s aan.

Alain en ik laten de twee vrouwen voorgaan achter de lijkwagen. Het is amper tweehonderd meter, we doen er zelfs aan dat lijdzaam trage tempo geen minuut over, maar toch is de bui dan alweer opgehouden. De paraplu’s kunnen opnieuw dicht.
Het weer heeft twee gezichten vandaag.

De urne wordt neergezet. Alain stapt naar voren en spreekt met stevige stem.

G, GEVALLEN ENGEL

1.
Je bevond je ver weg van je geboortegrond. En wij stonden even ver weg van jou: wij hadden je nergens voor nodig.
Je sprak onze taal. Die werd nooit de jouwe. Onze taal werd je gemis aan moedertaal.
Je hield je die dan maar voor je ballingschap tussen vier muren.

2.
Je had de naam van een Engel.
En in je ogen droeg je de helderheid van die Engel mee: al het licht dat daarin voor het grijpen lag.

3.
Op dagen dat er buitenlucht voor je was, viel je aardig en zelfs wat adellijk uit.
Maar een Engel kon en mocht je niet zijn. Daarvoor ging je soms veel te fel tekeer – vertelden ons je buren.
Openbaringen en annunciaties waren niet aan jou besteed. Van de wereld was de brutaliteit je het best bekend.

4.
Wilden werkgevers niets meer van je weten? Teerde je op een uitkering? Rekende je op de mogelijkheid van een vroege dood?
Wij dachten er niet aan om je vragen te stellen. Je werd ons voor altijd verzwegen.

5.
Je moest iemand zijn en je wist niet wie. Je bleef wat je niet wou zijn. Je was voor anderen het weinige wat ze van jou gewaar werden.
Je bleef alleen in je huid. Niemand kon er in en je kon er niet uit.

6.
De impasses die het bestaan typeren: je hebt ze ervaren en er de afrekening voor gekregen.
En de katers achteraf. De gesloten deuren. De verkeerde keuzes. De kansen die je niet hebt kunnen nemen omdat je ze moedeloos hebt verkeken.

7.
Waar wij nu staan, rest ons de schaamte om wat wij niet van jou te weten mochten komen.
G., gevallen Engel.
Het werd je beloofd: er is voor jou een hiernamaals voorzien, waar je niet langer tussen vier muren in ballingschap hoeft te zijn.
Het licht aldaar zal er voor het grijpen liggen. En er zal je voortdurend buitenlucht verschijnen.

Een voor een maken we een buiging voor de urne. De man van de begrafenisonderneming vraagt om een plekje uit te kiezen en Nancy duidt een plaats aan, midden op het grasveld. De as kleeft aan het natte gras. Op de grijze rechthoek die ontstaan is, legt Nancy drie rode rozen.

We praten nog heel kort na. Nancy en Davine zijn zichtbaar aangegrepen. Ik vraag naar de moeder van mevrouw G.S. maar daar weten ze niets van. Er zou nog wel een zus zijn, in Hongarije, maar daar had ze geen contact meer mee.

Alain en ik vertrekken, terwijl de twee vrouwen bij de strooiweide blijven staan. Ik praat nog even met Alain over de tijd en het leven en dan gaan we elk ons weegs.

Halverwege de drie kilometer die ik naar huis moet fietsen, valt de regen met bakken uit de lucht. Al snel komt er hagel achteraan. Terwijl ik haastig doortrap, stuiteren de bolletjes op mijn al doorweekte kleren.
Ik denk aan de grijze rechthoek, hoe snel die zal verdwijnen, terwijl de rozen achterblijven.