Meneer J.R. werd geboren in Leuven op 22 juni 1930 en overleed daar ook in wzc Edouard Remy op 21 maart 2022. De asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 29 maart op de stadsbegraafplaats van Leuven. Dichter van dienst was Peter Mangel Schots.

Meneer J.R. werd geboren in Leuven en overleed daar ook. Er zijn geen aanwijzingen dat hij ooit elders heeft gewoond. Ruim negentig jaar Leuvense geschiedenis heeft hij meegemaakt. Hij zag kort voor zijn tiende verjaardag waarschijnlijk de Britse en niet veel later de Duitse tanks de stad binnen rollen. Hij maakte de bombardementen mee, zag de universiteitsbibliotheek in vlammen opgaan. Dat is allemaal nog geen mensenleven geleden.
Een man te midden van tienduizenden Leuvenaars. Zijn bestaan zal dat van velen geschampt hebben. Kleine levens met elk hun eigen grootsheid. Hij woonde hier toen de Hongaarse mevrouw G.S. die vorig jaar een Eenzame Uitvaart kreeg, ooit een onderkomen zocht in deze stad.
Hij zat vast vol verhalen. Maar die verhalen ontglipten hem de laatste jaren een na een. En op de dag dat er weer een nieuwe lente begon, en de zon overvloedig aanwezig was, kwam aan zijn leven een einde.

Nadat de begrafenisondernemer me heeft gebeld met de summiere persoonsgegevens van meneer J.R. wil ik graag naar woonzorgcentrum Edouard Remy om er te spreken met de mensen die hem de voorbije vijf jaar hebben verzorgd. Helaas is dat niet mogelijk, de afdeling waar meneer J.R. verbleef heeft af te rekenen met een uitbraak van covid en dus blijft mijn informatiegaring beperkt tot een telefoontje met Sanne van de sociale dienst. Gelukkig kan zij me een vrij goed beeld schetsen van de overledene.
‘J.R. kwam in 2017 naar Remy, na een verblijf in het ziekenhuis. Hij leed aan dementie en was een stil persoon. Het liefst reed hij wat rond op de afdeling.’ Verder vertelt Sanne dat meneer J.R. van muziek hield en een aardige platencollectie had. En hij was dol op dieren. In zijn woonplaats aan de vesten, op de grens met Wilsele, hield hij kippen, konijnen en honden. En hij deed aan duivensport. Meneer J.R. was al een hele tijd weduwnaar. Zijn vrouw, Maria, overleed in 1994.
Vaak staan er in het dossier van een patiënt weinig gegevens over het vroegere beroepsleven, is de informatie toegespitst op kwalen, medicatie en dieet. Bij meneer J.R. is dat anders. Sanne weet me te zeggen dat hij vroeger bij Philips gewerkt heeft, hij zette er aan de lopende band radio’s in elkaar. Ik kan het me zo voorstellen, dat meneer J.R. bij het radiotoestel zat – een type misschien zoals hij het zelf monteerde – om naar het programma ‘Inlichtingen voor duivenliefhebbers’ te luisteren. Of naar het bloemrijke commentaar van Jan Wauters bij een voetbalwedstrijd van zijn geliefde Sporting Anderlecht. Meneer J.R. ging graag een pint drinken in de stationsbuurt, zegt Sanne nog, dus ik kan me voorstellen dat hij geregeld in de Marie-Thérèse zat, het supporterscafé van paars-wit. Op de dag dat hij vijftig werd, op 22 juni 1980, speelde België de finale van het Europees kampioenschap tegen West-Duitsland. Wat een dag moet dat voor hem geweest zijn.

Nu, allemaal goed en wel, maar waarom is er niemand die meneer J.R. zal begeleiden naar zijn laatste rustplaats? Want bij de begrafenisonderneming hadden ze gezegd dat hij een zoon heeft. Veel meer konden zij me niet vertellen, dus vraag ik Sanne ernaar.
‘Ja, J.R. heeft een zoon, maar die kan zich niet tot daar verplaatsen.’
Het wordt nog merkwaardiger wanneer ze me vertelt dat vader en zoon tot de opname van meneer J.R. in hetzelfde huis woonden. Maar in woonzorgcentrum Remy was die zoon zelden op bezoek gekomen, en dan alleen nog in het begin. Toch zou er geen sprake zijn van onenigheid of ruzie.
Ik probeer nog eens bij Sanne. Zijn er geen diensten die hem een lift naar de begraafplaats kunnen aanbieden?
‘Jawel, dat is ook gebeurd. Maar hij is fysiek en mentaal niet in de mogelijkheid om de uitvaart bij te wonen.’ Daar moet ik het mee doen.

Het duurt een paar dagen voor ik de juiste invalshoek vind voor een gedicht. Bij nader inzien ben ik toch niet zo veel te weten gekomen over meneer J.R. Praktische zaken, datums, een beroep en hobby’s, dat wel, maar over het karakter, de medemenselijkheid, de inborst van meneer J.R. tast ik in het duister. Is een groot dierenliefhebber altijd een grote mensenvriend? Ik denk niet dat ik daar voetstoots kan van uitgaan.

Tot de dag van de uitvaart blijf ik aan het gedicht schaven. Kort na tweeën moet ik de deur uit, de plechtigheid op de begraafplaats is om drie uur. Om het gedicht te printen is er geen tijd meer, ik zal het voorlezen van het schermpje op mijn telefoon.
In het weekend heb ik een nieuwe winterjas gekocht, afgeprijsd al, met het oog op volgend jaar. Ik had gedacht hem tot dan in de kast te kunnen laten hangen, maar ondertussen is het weer helemaal omgeslagen en hebben de temperaturen een duik genomen, dus trek ik hem toch maar aan. Wanneer ik mijn sleutels in de binnenzak laat glijden, kletteren ze op de vloer. De binnenzak is nep, niet meer dan een fladderend lapje stof.
Het is guur buiten. Toch blijven de mensen in de stad zich vastklampen aan de warmte van de voorbije weken. Op de terrasjes zit nog volk, dik ingeduffeld. Aan het ijsjeskraam staat een kleine rij. Bij de koffiebar prutst een bejaarde man aan zijn hoorapparaat. Het zijn de banaalste dingen die me elke keer opvallen, onderweg naar een Eenzame Uitvaart.
Pas wanneer ik het Ladeuzeplein dwars, valt me op dat ik iets mis, dat er iets ontbreekt in het straatbeeld. Duiven. Anders lopen ze je door heel de stad voor de voeten, maar nu is er geen enkele te bespeuren. Het lijkt wel of ze meneer J.R. ergens het uitgeleide doen.
Van ver zie ik het oude gebouw van Philips, een witte monoliet die de skyline van de stadsrand domineert en al enige tijd een nieuwe bestemming kreeg. De begraafplaats ligt er vlakbij. De as van meneer J.R. zal rusten in de schaduw van zijn oude werkplek.

Bij de ingang staat de lijkwagen te wachten. Ik begroet Josse, de jonge bediende van de uitvaartonderneming, en Tarik, de stadsmedewerker van de begraafplaats. Klokslag drie uur vertrekken we naar de strooiweide. Tarik gaat voorop, ik loop achter de lijkwagen.
Terwijl de banden knerpen over het grindpad, denk ik voor het eerst weer aan de zoon. Hoe hij hier had moeten lopen, en niet ik. En op dat ogenblik merk ik iets dat me tegelijk frappeert en een brede glimlach over mijn gezicht legt. Op de bumper van de deftige zwarte lijkwagen, die zo opgeblonken is dat de hele omgeving erin weerkaatst, ligt een bleke en vettige kwak duivenstront. Wanneer de wagen halthoudt en Josse uitstapt, wijs ik naar de bumper en zeg ik hem dat we een teken van hierboven gekregen hebben.
Dat laatste heeft hij amper gehoord.
‘Zoiets is me nog nooit overkomen’, zegt hij gegeneerd.
‘Daarnet was het er nog niet’, valt Tarik hem bij. ‘Dat weet ik zeker. Als je wilt haal ik zo meteen wat water.’
Josse opent de achterklep en draagt de urne naar de sokkel. Net zoals bij de allereerste Eenzame Uitvaart in Leuven staan we er met z’n drieën omheen. Nog altijd de kleinst denkbare cirkel. Ik neem mijn telefoon, vertel meneer J.R. dat ik een gedicht voor hem heb geschreven en lees het voor.

Inlichtingen voor een duivenliefhebber

Ze zijn met duizenden in de stad, paraderen onverschrokken
voor fietswielen en schrijven drabbige ergernis op stoepen
standbeelden en autoruiten. De meest gekoesterde, de blauwst
geschelpte gaven jou een bestaan, boordevol kijken, gehard in

wachten. Noyon, slecht zicht: wachten. Dourdan, regen: wachten.
Quiévrain, motregen, wachten. In jou zat een mens die naar de hemel
reikte op een plek die de wereld ontsteeg. Ik had je willen vragen
of wachten iets anders is dan uitkijken.

Al jaren was je opgehokt en ingekorfd, vlogen alleen nog vermolmde
herinneringen uit. Je was de weg kwijt in je hoofd, wist nog van vroeger
dat er vogels zijn die niet meer thuis geraken. Dan blijft het welkom
onaangeroerd. Eten: wachten. Drinken: wachten. Wassen: wachten.

Terwijl weer een dag begon met het ringelingserviesgoed op de afdeling
klokte je af op een tijd die er niet meer toe deed. Je luisterde nog
naar de inlichtingen, vaak vrouwenstemmen. Witte boterhammen: wachten.
Zwarte koffie: wachten. De hand die je voedert als een vogeljong: wachten.

Je convoyeurs waren gemaskerde engelen, ze hadden vogelgriep,
konden niet voor je vallen, wasten en schrobden tot alles weer glinsterde
als een autoruit bij zonsopgang. En weer wachten. Middageten, mistig: wachten.
Televisie, slecht zicht: wachten. Toilet: wachten. Verse luier: wachten.

Negentig jaar en je moest om je leven verschoning vragen. Geluk was
een hand op je arm, buiten diensttijd om. Dan zat je voor het raam, gewend
om naar de lucht te kijken en te wachten tot ze vallen, je oogleden
stilaan zwaar, op de binnenkant verschenen dromerige hoogten, taferelen

van weduwschap. Tot je gewekt werd. Honger: wachten. Dorst: wachten.
Bezoek: gelost, nooit aangekomen. Je duiven van verenkleed naar verenkleed,
maar jouw leven was al jaren overtijd, het sterven telkens uitgesteld. Kies nu
de vlucht vooruit, de engelen leveren je ring in bij de Grote Constateur.

We groeten alle drie de urne. Tarik tilt ze op en strooit midden op het grasveld de as uit van meneer J.R. Na een kort moment van stilte nemen we afscheid. Of beter: we zeggen tot ziens, en ‘hopelijk niet te gauw’, wat we er vaak aan toevoegen.
Werktuiglijk stop ik mijn telefoon in mijn binnenzak. Hij valt in het gras. Ik moet denken aan wat een groot filosoof ooit zei: in je laatste jas zitten geen zakken.

Zoals vaker kan ik me niet meteen losmaken van het kerkhof. Ik lees op het plexiglazen paneel bij de strooiweide de namen van de overledenen van de voorbije jaren en herken er enkele van eerdere Eenzame Uitvaarten. Ook de naam van mevrouw G.S. staat ertussen. En altijd loop ik ook even langs het graf van baby F. dat al een tijd een nieuw wit kruisje gekregen heeft van Nooit Vergeten.
Op de terugweg overvalt me weer de banale alledaagsheid, het drukke leven dat de avondspits nadert. Ik maak een kleine omweg, loop langs enkele nauwe steegjes en koertjes, en plots bevind ik me in de straat van mevrouw G.S. De voordeur van het gebouw waar ze woonde staat open. Ik ga het halletje binnen en zoek naar de brievenbus van het appartement op de tweede verdieping. Die is nog altijd met blauwe tape afgeplakt.