Meneer A.B. werd geboren in Kessel-Lo op 21 oktober 1935 en overleed in wzc Wijgmaalbroek op 24 juli 2022. De asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 2 augustus op de nieuwe begraafplaats Wijgmaal-Kroonstraat. Dichter van dienst was Paul Bogaert. Verslag door Peter Mangel Schots.

Voor het eerst verzorgen we de eenzame uitvaart van een tweelingbroer. Het is iets wat je niet verwacht, tweelingbroers horen samen, verbonden sinds de moederschoot. Ze voelen elkaar bijzonder aan, de ene deelt soms in de pijn van de andere zonder zelf iets te mankeren. Ik zoek er wat over op en vind een gedocumenteerd verhaal over twee Canadese tweelingbroers die gescheiden waren opgegroeid. De ene had zich ooit drie dagen erg ziek gevoeld, alsof hij ging sterven. Het bleek dat zijn tweelingbroer op datzelfde ogenblik het slachtoffer was van een vliegtuigcrash en drie dagen vast gezeten had in het wrak voor hij werd gered.

Natuurlijk moet de ene helft van een tweeling altijd eerst sterven en blijft de andere onvolledig achter. Niet zelden overlijden ze kort na elkaar. Van meneer A.B. weet ik het niet. Aanvankelijk weet ik maar heel weinig. De begrafenisondernemer kan me niet veel vertellen, hij mailt me een standaardfiche met de geboorte- en overlijdensgegevens en de woonplaats. Meneer A.B. verbleef in woonzorgcentrum Wijgmaalbroek. Ik krijg ook het telefoonnummer van de verantwoordelijke.

Nadat ik heb rondgevraagd wie van de dichters de honneurs zal waarnemen – Paul zal het doen voor hij met vakantie vertrekt – bel ik het nummer van het woonzorgcentrum. Ik krijg de sociaal assistente aan de lijn. Wanneer ik haar vraag wat ze me over meneer A.B. kan vertellen, begint ze met het opsommen van de medische gegevens: meneer A.B. leed aan dementie, hij zat in een rolstoel. Hoelang hij al opgenomen was weet ze niet precies, maar het moet al een hele tijd geweest zijn want hij was in 2016 van wzc Edouard Remy naar het nieuwe Wijgmaalbroek verhuisd. De lengte van zijn verblijf in Remy werd blijkbaar niet geboekstaafd in de nieuwe vestiging. Ik vraag naar familieleden en ze vertelt me dat meneer A.B. vermoedelijk gescheiden was. Dat had hij toch zelf verteld voor zijn dementie te erg werd. Zijn vrouw had de kinderen meegenomen en hij had hen tientallen jaren niet gezien. Ze komen dus ook niet naar de uitvaart. Ten slotte weet ze me ook nog te zeggen dat meneer A.B. lasser was en onder meer bij de NMBS had gewerkt, aan de sporen.
Als het mogelijk is – maar sinds corona is dat iets moeilijker geworden – ga ik langs op de afdeling waar de overledene verbleef. Ik wil alvast graag een afspraak maken. De sociaal assistente verbindt me door. Hoofdverpleegkundige Gitta wil me graag meer vertellen over A. maar mag het alsjeblieft per mail? Het is zo druk de laatste tijd en een mailtje schrijven kan ze tussendoor doen, wanneer ze een paar minuten niets omhanden heeft.
Ik stuur haar een mail met enkele vragen waarop ze kan antwoorden. Ondertussen brief ik Paul met hetgeen de sociaal assistente me al verteld heeft.

Niet veel later zit het antwoord van Gitta al in mijn mailbox, ze heeft er geen gras over laten groeien. ‘A. was een eigenzinnige man en op zichzelf, maar had wel gevoel voor humor en apprecieerde dat ook bij anderen. Over het algemeen was het een lieve man. Hij maakte wel graag een rommeltje, in zijn kamer of tijdens het eten. De bekers of borden vlogen vaak in het rond. A. kon steeds moeilijker zijn woorden vinden, dus een gesprek was moeilijk te voeren met hem. Hij liet wel van zich horen als hij iets nodig had, hij had een zeer luide stem en gebruikte zijn handen om aan te wijzen wat hij wou. A. kon vrouwelijk schoon ook wel appreciëren.’ Verder vertelt ze over zijn bezigheden: toen hij nog helder van geest was, las hij de krant en vulde hij de kruiswoordpuzzel in. Met de activiteiten in het woonzorgcentrum is hij altijd bleven meedoen. En ’s namiddags lustte hij graag een kriek.
Over zijn familie weet Gitta weinig. Ze heeft hen nooit op bezoek weten komen. Hij vertelde ooit dat zijn vrouw met de kinderen naar Frankrijk vertrokken is toen die nog klein waren en dat hij hen nooit heeft teruggezien. Hij heeft hen lang gezocht maar nooit gevonden. Zijn dochter zou nu in Luxemburg wonen, dat is alles wat hij wist. ‘A. vertelde daar verder weinig over’, schrijft Gitta nog.
En dan het verhaal dat me verrast: ‘Hij had een tweelingbroer met wie hij een bandje had. A. was de zanger en zijn broer de gitarist. Het bandje zou in die tijd wel bekend geweest zijn, maar ik weet de naam niet. Hij was ook verzamelaar van miniatuurauto’s.’
Dat van de NMBS blijkt trouwens niet te kloppen. Volgens Gitta was hij buschauffeur bij De Lijn en deed hij het traject Leuven-Tienen. Ze sluit af met de omstandigheden van zijn dood: ‘Zijn gezondheid ging al even stilletjes achteruit. Algemene ouderdomsverschijnselen. Zijn overlijden is snel gegaan. Vorige week vrijdag werd de dokter geroepen en zaterdagnacht is hij overleden.’

Ik vraag haar nog naar de tweelingbroer, maar daar kan ze me niet mee helpen. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Een zanger uit Leuven, een bandje met zijn tweelingbroer, enige renommée in vermoedelijk de jaren zestig en zeventig, daar moet toch iets van terug te vinden zijn? Een eerste speurtocht online levert niets op, uit die periode is er nog niet zoveel gedocumenteerd. Ik ga te rade bij enkele Leuvense Facebookgroepen. De community is erg hulpvaardig, mensen doen navraag bij vrienden op leeftijd, taggen bekenden onder mijn vraag of contacteren me voor meer achtergrond. Maar te langen leste is er niemand die zich het bandje van de tweelingbroers B. herinnert.

De dagen erna blijft meneer A.B. in mijn hoofd zitten. Ik loop te mijmeren over de mysteries die in elk leven schuilen. Waarom weet niemand iets over dat bandje? En waar komt de vergissing met lasser en buschauffeur vandaan? Wat ik verneem zijn bijna allemaal dingen die meneer A.B. zelf bij leven heeft verteld, in klare of mistige toestand. Hij heeft zijn eigen overlevering in woorden gegoten en we zullen nooit kunnen achterhalen wat er precies van klopt. Het geheugen is sowieso een optisch glas dat de werkelijkheid vertekent. Ergens vind ik dat een troostende gedachte.

De uitvaart vindt uitzonderlijk vroeg plaats, om tien uur. De meeste eenzame uitvaarten staan in de namiddag geprogrammeerd, na de begrafenissen waar wel volk op aanwezig is. Maar vandaag is het blijkbaar een kalme dag. Zouden er minder mensen sterven in de zomer? Als ik de weersvoorspellingen bekijk, durf ik daaraan te twijfelen.
De ochtend beschermt me nog tegen de hitte die in de loop van de dag het land in haar greep zal krijgen. Het is aangenaam fietsen langs het kanaal richting Wijgmaal. De as van meneer A.B. zal uitgestrooid worden op het verste kerkhof van Leuven, in de Kroonstraat, een uithoek van deelgemeente Wijgmaal waar ik nog niet eerder was.
Op het jaagpad langs het kanaal is het rustig. Je voelt je toch anders in de ochtend, wanneer de dag nog kraakvers voor je ligt. Ik laat mijn gedachten uitwaaieren. De uitzichten vanop het jaagpad over de weiden en velden doen me denken aan de aarden wal langs de Tisza in de Vojvodina waar ik ooit een lange tocht maakte en waar ik onlangs nog iemand over vertelde. Het zijn volstrekt onbelangrijke gedachten, maar onderweg naar een eenzame uitvaart ben ik me telkens scherper bewust van alle indrukken die op me af komen.

Achteraan in een doodlopende straat, dicht bij de spoorlijn, ligt de begraafplaats. Geheel overbodig leg ik mijn fiets aan de ketting en daarbij stoot ik tegen het bord dat al even overbodig aangeeft dat dit een fietsenstalling is. Er valt een blauw blikken doosje op de grond waarop GEO staat. Per ongeluk heb ik een bergplaats van geocaching ontdekt. Ik open het doosje, er zit een smal strookje papier in waarop nog geen namen zijn geschreven. Alleen het verzoek: ‘Gelieve mij achter te laten zoals je mij gevonden hebt.’

Het is voor een eenzame uitvaart best een uitgebreide delegatie die bij de ingang staat te wachten, twee keurige dames in het zwarte pak van de begrafenisondernemer en twee kloeke gemeentearbeiders die er allebei erg rock-‘n-roll uitzien. We zijn allen nogal vroeg en moeten wachten – je weet nooit of er nog een nabestaande opduikt. Na de begroeting en wat koetjes en kalfjes staan we allemaal naar onze schoenpunten te staren. In het gras liggen bruine verdorde bladeren. ‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik. Enkele dagen ervoor zag ik hoe hele bomenrijen langs de Van Praetlaan in Laken in rood-bruine tinten geverfd waren en aan hun voeten lagen hopen bladeren. ‘Dat komt door de droogte. Als de bomen niet genoeg water kunnen opnemen stoten ze bladeren af, om vocht te sparen’, zegt de kloekste van de twee gemeentearbeiders, een dubbelganger van Frank Van der Linden. Waarna het weer een dankbaar nieuw gespreksonderwerp vormt.

Wanneer Paul arriveert en het in de verte tien uur slaat, gaan we naar de achterzijde van de begraafplaats waar bij het strooiveld de urne al op een sokkel staat opgesteld. Paul noemt de naam van de overledene en leest zijn gedicht voor.

Mensen kunnen hem kennen van vroeger.
Wist je dat hij nog optrad? Alleen
in het nostalgiecircuit, wist je dat, van zijn hoofd
dat hij daar hij nog mooie dingen deed

– niemand kon hem dat verhinderen –
met de kabel van de microfoon? Wist je dat
hij nog optrad zonder soundcheck,
nooit voor kinderen, wist je dat je dat wist je toch.

Horizontaal, schaduw is het nieuwe goud.
Laat hem doen. Laat hem in zijn element.

Dat er dingen, wist je dat
er dingen, dingen worden, borden werden gegooid?
Om te lachen hoor, de comeback,
het verschil tussen de serveertip en de catastrofe.

Wist je dat het begon met één klein vraagteken in een krulspeld?
Wist je dat het eindigde dat ze werkelijk overal?

Horizontaal, schaduw is het nieuwe goud.
Laat hem gerust. Laat hem in zijn element.

Een voor een buigen we voor de urne. Ik vraag de jongste van de gemeentearbeiders, die op niemand in het bijzonder gelijkt, om de as van meneer A.B. uit te strooien aan de zijkant van de strooiweide, passend in de schaduw.

De dames van de uitvaartonderneming hebben nog een vraag. Wat moeten ze doen met de kleren die meneer A.B. droeg? Paul en ik kijken elkaar aan. Die zouden best weer naar het wzc gaan, toch? En dan hebben ze ook nog een kubusvormig kartonnen doosje bij, bekleed met een zachte stof. Daarin zit de platte ronde steen, zo’n vijf centimeter doorsnede, met het unieke nummer van meneer A.B. dat hem identificeerde bij de crematie. Willen wij dat? Ik stel voor om het te gaan afgeven aan Gitta in Wijgmaalbroek. Paul vouwt het blad met zijn gedicht zeven keer dubbel, tot het zelf een kubusje is, en stopt het bij in het doosje.

Onderweg naar het woonzorgcentrum passeer ik de fabrieken van Remy, een wereldspeler in de productie van rijstzetmeel. In een grasperk achter de fabriek staat het standbeeld van oprichter Edouard Remy, de industrieel-filantroop naar wie het wzc is vernoemd waar meneer A.B. aanvankelijk verbleef. Dat wzc kende tot op heden de meeste eenzame uitvaarten.

In Wijgmaalbroek is net een grote zangstonde bezig. De animatiezaal zit al halfvol en er komen nog voortdurend bewoners vanuit de lift aangesloft. Een animator, zelf al op leeftijd, vermaakt het publiek met Vlaamse schlagers.
Terwijl ik wacht aan het onthaal hoor ik hoe krakende stemmen enthousiast meezingen.
‘De tijd ging er te vlug voorbij,
als God in Frankrijk leefden wij.’
Wanneer ik aan de juffrouw die aan de balie verschijnt zeg waarvoor ik kom, blijkt zij de sociaal assistente te zijn met wie ik vorig week getelefoneerd heb. Gitta is met vakantie, zegt ze, maar ze belooft me dat ze het doosje zal overhandigen zodra Gitta terug is.
Wanneer de glazen buitendeuren achter me dichtschuiven, dempt het geluid van de zangstonde, maar de oorwurm zal nog de hele dag in mijn oor blijven zitten.
‘Hij speelde accordeon, heel alleen voor ons twee.’