Geschreven door: Yella Arnouts

De eenzame uitvaart van mijnheer A.L.

Mijnheer A.L. werd geboren in Hoboken op 12 februari 1930. Hij is gestorven in Berchem op 25 februari 2019. De asuitstrooiing vond plaats in het Schoonselhof op 6 maart 2019 om 14:00. Dichter van dienst was Max Temmerman. Verslag door Yella Arnouts.

Soms, bij de voorbereiding van een eenzame uitvaart, komen details aan het licht over het leven van de overledene, ogenschijnlijk kleine dingen die toch iets van betekenis oproepen uit een geleefd leven: een beroep, een engagement, de naam van een eerder gestorven dierbare, een buur of kennis die zich de dode herinnert, een nog ver familielid in het buitenland. Zelden blijft de informatie over een eenzame gestorvene beperkt tot een geboorte-en sterftedatum.

Dat laatste doet zich voor bij de dood van mijnheer A.L. Brigitte, de medewerkster van budgetuitvaarten De Groene Linde vertelt me aan de telefoon dat de man, na zijn opname in het UZA, in een woonzorgcentrum onderdak had gevonden. Maar de paar weken daar bleken te kort om verankerd te raken.

Ik contacteer dichter Max Temmerman. Ik beloof hem dat ik eens zal rondvragen in de straat waar de man heeft gewoond. Misschien kan daar iemand iets over hem vertellen?

Het huurappartementje bevindt zich in een Antwerpse sociale woonwijk, niet ver van waar ik woon. Op een maartse dag van frêle licht, zware lucht, rukwinden, en tussen de plensbuien door, fiets ik erheen. Ik vind bij de bovenbuur noch bij de onderbuur van mijnheer A.L. enig gehoor. Intussen komt aan de overkant een man naar buiten, ik schat hem zo’n zeventig, vijfenzeventig jaar. Geen jas, wel een dikke trui en een wollen sjaal losjes om zijn nek, op stevige pantoffels. Hij stapt moeizaam, steunend op een kruk. In zijn andere hand houdt hij een hondje aan de leiband. Het wordt een krachttoer voor hem, zo vermoed ik, om de poep op te scheppen en in een zakje te stoppen. Als ik naar hem toe wandel, kijkt hij verbaasd op. Met een heerlijke Antwerpse tongval grijnst hij: Het is niet alles hé, madame, oud worden. Maar het gaat wel. We wandelen even samen op. Ik vraag hem naar mijnheer A.L. en wijs naar de brievenbus waarop diens naam te lezen staat. Maar de man schudt traag zijn hoofd. Terwijl hij zijn schouders ophaalt vertelt hij dat de mensen van de wijk nauwelijks of geen contact hebben met elkaar. Dat het ooit anders is geweest. En weer gaan zijn schouders omhoog. Terwijl ik terugkeer naar mijn fiets en me nog even omdraai, steekt hij zijn hand op.

Ik kan me voorstellen dat mijnheer A.L. wel eens vanuit zijn deur of raam deze man, die wellicht dagelijks zijn hond uitlaat, moet hebben gezien Misschien zijn ze elkaar ooit rakelings gepasseerd in de kleine supermarkt om de hoek. Misschien hebben ze samen ooit in het postkantoor gestaan, toen dat daar nog een postkantoor was.

Op woensdag 6 maart, om 13.50 u staan Max en de twee medewerkers van De Groene Linde, al aan de ingang van het crematorium in het Schoonselhof als ik kom aangefietst. Het is intussen opgehouden met regenen. Iets voor 14 u nodigt de ceremoniemeester ons uit de uitvaartwagen te volgen.
De ceremoniemeester is een gedistingeerd en welbespraakt man met een groot hart voor eenzaam gestorvenen. Dat blijkt eens te meer wanneer hij zich uitspreekt, aan de strooiweide, over het belang van het uitvaartritueel zonder aanzien des persoons.

Dan geeft hij het woord aan de dichter van dienst. Voor Max zijn gedicht voorleest, licht hij kort de titel toe: het woord ‘obool’ verwijst naar een munt die in het oude Griekenland werd gebruikt. Bij de oude Grieken kreeg een overledene de munt onder de tong gelegd om Charon, de veerman, de prijs voor de overvaart naar het dodenrijk te betalen.

OBOOL

voor A.L., ° 12/02/1930

Eens de andere oever bereikt, stolt als een mop
zonder pointe alle tijd. Tot een laatste druppel.
Het laatste lood. Seizoenen bestaan niet

aan de overkant. Onder mijn tong woekert
de smaak van metaal. Angst is een muntstuk
waar ge uw tanden aan kunt slijpen.

Het gedicht ontroert me. De ceremoniemeester dankt Max voor zijn treffende woorden waarna hij zijn medewerker uitnodigt om over te gaan tot uitstrooiing van de as. Zwijgend kijken we toe. Dan neemt ieder van ons de tijd om een laatste groet te brengen aan de gestorvene. In stilte wens ik mijnheer A.L. een goede overvaart toe, waar die hem ook heen moge leiden.

EENZAME UITVAART, MENEER N.L.

Mijnheer N.L. is op 15 april 1985 geboren in Wloclawek, Polen, en in Antwerpen overleden op 11 januari 2018. De uitvaart had pas plaats op donderdag 8 februari 2018 op begraafplaats Schoonselhof. Dichter van dienst was Joke Van Leeuwen.

 

Maandagochtend 5 februari zit in mijn mailbox een bericht van Brigitte, medewerkster van Budgetuitvaarten De groene linde. Dat er nu donderdag een eenzame uitvaart plaatsvindt. Het gaat om mijnheer N.L. die illegaal in België verbleef. Hij is op elf januari in verdachte omstandigheden dood aangetroffen in een kelder. Het parket, dat zijn lichaam nu pas vrijgegeven heeft, mag, wegens beroepsgeheim, verder geen details verstrekken over de ‘verdachte’ omstandigheden, noch over de plek waar N.L.’s lichaam gevonden is. De Poolse ambassade is op de hoogte gebracht. De overledene blijkt in het thuisland familie te hebben die echter onbemiddeld is. Daar woont ook zijn eenjarig zoontje. De familie wenst een begraving om de jongen, als hij wat ouder is, de mogelijkheid te geven het graf van zijn vader te bezoeken.

Ik stuur het bericht door naar Joke Van Leeuwen met de vraag of ze een gedicht kan schrijven voor mijnheer N.L. In de hoop een wat concreter beeld van de zo jong gestorven man te krijgen – hij is maar enkele jaren ouder dan mijn zoon, besef ik – bel ik Brigitte op. Maar zij weet ook maar zo weinig als in haar e-mail staat. We spreken af dat ik donderdag om tien voor twaalf de ceremoniemeester zal opwachten aan de hoofdingang van het Schoonselhof tezamen met dichter Joke van Leeuwen. Intussen heeft Joke immers al ge-sms’t dat ze beschikbaar is.

Maarten Inghels die bijna tien jaar De eenzame uitvaart in Antwerpen heeft geleid, heeft me eind vorig jaar gevraagd zijn taak als coördinator over te nemen. Uitgerekend nu donderdag, wanneer N.L. begraven wordt, zal Maarten op weg zijn naar de andere kant van de wereld. Ik wil hem nog op de hoogte brengen van mijn eerste opdracht als coördinator en wens hem een mooie tijd toe en een behouden terugkomst.

De ochtend na Brigittes melding staat mijn Poolse buurvrouw aan haar voordeur te praten met haar dochtertje van een jaar of negen. Ik betrap me erop hoe ik mijn oren spits. Om in de voor mij ondoorgrondelijke stapeling van hun klinkers en medeklinkers iets van betekenis op te vangen. Vergeefs uiteraard.

De volgende dagen dienen zich de dagelijkse taken aan maar de gedachte aan de nakende begraving is nooit ver weg. Wat niet allemaal ‘verdachte omstandigheden’ kunnen zijn. En wie zou het dode lichaam van mijnheer N.L. gevonden hebben? Wat is aan zijn dood voorafgegaan? Hoe lang lag hij misschien al niet in die kille kelder? Hersenspinsels, die ik niet van me af kan schudden.

Ik kijk binnen bij de Poolse supermarkt in een straat verderop, onderdruk de belachelijke neiging om te vragen of iemand ene mijnheer N.L. gekend heeft. De stad die ik als mijn handtas ken, blijkt zo haar gruwelijke geheimen te hebben. Dat wist ik wel. Maar nu is het anders. De zo vertrouwelijke stadsdrukte klinkt nu ijl en glazig, in de winterse lucht die tegen het vriespunt aanschurkt.

Donderdagochtend. Terwijl ik mijn zwarte sjaal om mijn hals knoop, schiet het door me heen. Als dichter heb je nog je gedicht, als coördinator sta je met lege handen aan het graf. Ik heb nog ruim de tijd om twee witte rozen te halen in een bloemenwinkeltje vlakbij de begraafplaats. De verkoopster vraagt of ze bedoeld zijn als cadeautje. Voor een begraving, zeg ik. Ze knikt ingetogen, fluistert haast: innige deelneming.

Joke staat al aan de ingang. We praten wat. Over het zoontje van mijnheer N.L., en dat het graf maar niet te snel weer geruimd moet. Over de voor ons onbekende omstandigheden die tezamen met hem diep in de aarde zullen verdwijnen. Maar ook. Joke moet na het korte ritueel nog een trein halen. Naar Rotterdam. Minuten gaan voorbij terwijl we stilaan wat nerveus uitkijken naar een corbillard die maar niet komt. Zouden we ons van ingang vergist hebben? Ik loop weer de straat op, zoek in mijn i-phone naar het telefoonnummer van de begrafenisondernemer. Even later komt een man – wit hemd, zwart pak, zwarte handschoenen – op ons toegelopen. De ceremoniemeester en de ander dragers staan verderop, op het grasveld waar de kist al neergelaten is. We begrijpen het niet. Zouden we niet tezamen achter de corbillard stappen tot aan de laatste rustplaats van mijnheer N.L., zoals we dat gewoonlijk doen?

Met vijf staan we zwijgend aan de voet van het open graf, de blik op een sobere, lichthouten kist gericht. De ceremoniemeester groet. Iedereen volgt zijn voorbeeld. Joke kijkt me even aan, gaat vlak voor het graf staan, leest dan met vaste stem, traag en helder haar gedicht voor:

 

Voor L.N. (1985-2018)

Uw leven lag gerafeld en niet af
nog iets te moeten worden wat niet werd
wie deed u aan wat u is aangedaan?

Hoorbaar accent waar u niet horen mocht
uw kind oefent uw moeders taal voor die
te late vraag: wat hebben ze gedaan?

Tata, tata, co oni zrobili?
U blijft onvindbaar vindbaar ver van waar
u bent geboren en naar een ochtend zocht.

Uw zoon, op eigen benen bij dit graf, zal
leven leren van het gras, veegt – zelf al man
de dorre bladeren opzij en legt wat af-

gesneden bloemen neer, groet wie in
hem herkenbaar kan – u hier wiens
naam hij dan accentloos noemen zal.