Archives: Uncategorized

Eenzame Uitvaart van meneer J.P.

Meneer J.P. werd geboren in Antwerpen op 15 juni 1937. Hij was net geen tweeëntachtig toen hij op 30 maart 2019 thuis is overleden in de Gebroeders Blommestraat in Borgerhout. Meneer J.P. was ongehuwd. Er zijn pogingen ondernomen om familieleden op te sporen maar niemand werd gevonden. Op woensdag 24 april werd zijn as verstrooid op de weide van ’t Schoonselhof. Dichter van dienst was Peter Theunynck. Verslag van Yella Arnouts.

 

Op woensdag 24 april ben ik wat te vroeg aan het crematorium Pontes op het Schoonselhof. – Frêle licht priemt door hoge schapenwolken heen. Ergens in de verte luiden kerkklokken twaalf uur. Net dan komen drie begrafenisauto’s traag na elkaar het terrein opgereden. In één van hen moet zich het lichaam van meneer J.P. bevinden.

Ik betreur eens te meer dat ik me geen beeld kan vormen van meneer J.P. Was hij groot en fors gebouwd? Of veeleer klein en mager? Waar hield hij van? Ik heb er het raden naar en dat steekt.

Ooit hij is de zoon geweest van een moeder, een vader. Wellicht is hij als jonge snaak bevriend geweest met een buurjongen of -meisje, een klasgenoot of een nichtje. Heeft hij iemand liefgehad? Heeft hij vriendschap, collegialiteit, of ooit solidariteit gekend? Hoe en hoe lang al woog de eenzaamheid die hem is overkomen?

Ik probeer de straat op te roepen waar hij gewoond heeft, waar hij ook gestorven is en die ik thuis op google maps had opgezocht als Peter komt aangefietst. Ook hij is op zoek gegaan naar die straat, vertelt hij me.

Het is tijd. Precies om half één stappen de ceremoniemeester, Peter en ik langzaam achter de corbillard, onder het jonge gebladerte van eeuwenoude bomen. Tot bij de strooiweide.

We maken tezamen een buiging wanneer de urne door de ceremoniemeester uit de wagen is gehaald. Ook de autobestuurder neemt deel aan onze kleine ingetogen stoet.

Na de woorden van afscheid die de ceremoniemeester tot meneer J.P. zelf richt, leest Peter zijn gedicht voor:

 

nergensland

 

er is een man vertrokken uit de gebroeders blommestraat

hij heeft de binnenweg naar nergensland genomen

 

zijn stoelen zullen zwijgen als de dragers komen

voor zijn petunia’s in potten valt de regen veel te laat

 

tussen de glasgordijnen staat een poedel uit te kijken

er komt een bus voorbij, schoolkinderen worden ingeladen

 

een uitgelaten harley davidson knettert zijn aubade

de merel zingt zoals hij zingt in alle buitenwijken

 

de krantenboer heeft een gazet van antwerpen op overschot

een ossentong wordt grijzer in de koelkast van de slager

 

een slingeruurwerk tikt intussen een paar tellen trager

de fluxysman noteert: op nummer 49 is de bel kapot

 

geen zoon in zwitserland, geen dochter in de drôme

opent de zwartgerande kaart waarop te lezen staat:

 

er is een man vertrokken uit de gebroeders blommestraat

hij heeft de binnenweg naar nergensland genomen

De eenzame uitvaart van mijnheer A.L.

Mijnheer A.L. werd geboren in Hoboken op 12 februari 1930. Hij is gestorven in Berchem op 25 februari 2019. De asuitstrooiing vond plaats in het Schoonselhof op 6 maart 2019 om 14:00. Dichter van dienst was Max Temmerman. Verslag door Yella Arnouts.

Soms, bij de voorbereiding van een eenzame uitvaart, komen details aan het licht over het leven van de overledene, ogenschijnlijk kleine dingen die toch iets van betekenis oproepen uit een geleefd leven: een beroep, een engagement, de naam van een eerder gestorven dierbare, een buur of kennis die zich de dode herinnert, een nog ver familielid in het buitenland. Zelden blijft de informatie over een eenzame gestorvene beperkt tot een geboorte-en sterftedatum.

Dat laatste doet zich voor bij de dood van mijnheer A.L. Brigitte, de medewerkster van budgetuitvaarten De Groene Linde vertelt me aan de telefoon dat de man, na zijn opname in het UZA, in een woonzorgcentrum onderdak had gevonden. Maar de paar weken daar bleken te kort om verankerd te raken.

Ik contacteer dichter Max Temmerman. Ik beloof hem dat ik eens zal rondvragen in de straat waar de man heeft gewoond. Misschien kan daar iemand iets over hem vertellen?

Het huurappartementje bevindt zich in een Antwerpse sociale woonwijk, niet ver van waar ik woon. Op een maartse dag van frêle licht, zware lucht, rukwinden, en tussen de plensbuien door, fiets ik erheen. Ik vind bij de bovenbuur noch bij de onderbuur van mijnheer A.L. enig gehoor. Intussen komt aan de overkant een man naar buiten, ik schat hem zo’n zeventig, vijfenzeventig jaar. Geen jas, wel een dikke trui en een wollen sjaal losjes om zijn nek, op stevige pantoffels. Hij stapt moeizaam, steunend op een kruk. In zijn andere hand houdt hij een hondje aan de leiband. Het wordt een krachttoer voor hem, zo vermoed ik, om de poep op te scheppen en in een zakje te stoppen. Als ik naar hem toe wandel, kijkt hij verbaasd op. Met een heerlijke Antwerpse tongval grijnst hij: Het is niet alles hé, madame, oud worden. Maar het gaat wel. We wandelen even samen op. Ik vraag hem naar mijnheer A.L. en wijs naar de brievenbus waarop diens naam te lezen staat. Maar de man schudt traag zijn hoofd. Terwijl hij zijn schouders ophaalt vertelt hij dat de mensen van de wijk nauwelijks of geen contact hebben met elkaar. Dat het ooit anders is geweest. En weer gaan zijn schouders omhoog. Terwijl ik terugkeer naar mijn fiets en me nog even omdraai, steekt hij zijn hand op.

Ik kan me voorstellen dat mijnheer A.L. wel eens vanuit zijn deur of raam deze man, die wellicht dagelijks zijn hond uitlaat, moet hebben gezien Misschien zijn ze elkaar ooit rakelings gepasseerd in de kleine supermarkt om de hoek. Misschien hebben ze samen ooit in het postkantoor gestaan, toen dat daar nog een postkantoor was.

Op woensdag 6 maart, om 13.50 u staan Max en de twee medewerkers van De Groene Linde, al aan de ingang van het crematorium in het Schoonselhof als ik kom aangefietst. Het is intussen opgehouden met regenen. Iets voor 14 u nodigt de ceremoniemeester ons uit de uitvaartwagen te volgen.
De ceremoniemeester is een gedistingeerd en welbespraakt man met een groot hart voor eenzaam gestorvenen. Dat blijkt eens te meer wanneer hij zich uitspreekt, aan de strooiweide, over het belang van het uitvaartritueel zonder aanzien des persoons.

Dan geeft hij het woord aan de dichter van dienst. Voor Max zijn gedicht voorleest, licht hij kort de titel toe: het woord ‘obool’ verwijst naar een munt die in het oude Griekenland werd gebruikt. Bij de oude Grieken kreeg een overledene de munt onder de tong gelegd om Charon, de veerman, de prijs voor de overvaart naar het dodenrijk te betalen.

OBOOL

voor A.L., ° 12/02/1930

Eens de andere oever bereikt, stolt als een mop
zonder pointe alle tijd. Tot een laatste druppel.
Het laatste lood. Seizoenen bestaan niet

aan de overkant. Onder mijn tong woekert
de smaak van metaal. Angst is een muntstuk
waar ge uw tanden aan kunt slijpen.

Het gedicht ontroert me. De ceremoniemeester dankt Max voor zijn treffende woorden waarna hij zijn medewerker uitnodigt om over te gaan tot uitstrooiing van de as. Zwijgend kijken we toe. Dan neemt ieder van ons de tijd om een laatste groet te brengen aan de gestorvene. In stilte wens ik mijnheer A.L. een goede overvaart toe, waar die hem ook heen moge leiden.