Meneer J.S. werd geboren op 29 november 1951 in Merksem. Hij overleed op 27 januari 2026 in woonzorgcentrum De Nieuwe Kaai in Turnhout. De uitvaart vond plaats op 3 februari 2026 om 14 uur op begraafplaats Nazareth in Turnhout.
Nog voor ik iemand van het woonzorgcentrum spreek, stuit ik online op een alumnus-interview met iemand die dezelfde naam draagt als meneer J.S. – er lopen verschillende meneren J.S. rond in België – dat als titel het citaat “Liever bergen boeken dan hordes mensen” meekrijgt. Mijn bibliofiele individualistenhart voelt meteen een verwantschap. Heleen van het woonzorgcentrum zal nadien bevestigen dat de foto bij het interview inderdaad van meneer J.S. is. Vanuit het Poëziecentrum in Gent, waar ik informatie opvraag over een aantal bijdragen van meneer J.S. aan “Poëziekrant”, en waar mijn boekenliefde niet onbekend is, komt de mededeling dat meneer J.S. “ook een grote verzamelaar was”. Ik duik in het leven van een man naar mijn hart.
Het levenspad van meneer J.S. passeert in verschillende steden: Merksem, Antwerpen, Mechelen, Leuven, Tilburg, Oostende, Geel en Turnhout.
De geboorteakte van meneer J.S. vermeldt Merksem als zijn geboorteplaats. In zijn geboortejaar opent het Antwerpse Sint-Jan Berchmanscollege daar op het domein van ‘het kasteel’ een afdeling die sinds 1996 als het Groendendaalcollege gekend is. Meneer J.S. loopt school op een katholiek college, maar of hij daar naar school gaat, kan ik niet met zekerheid achterhalen. Op zijn kamer in het woonzorgcentrum tref ik een aan hem geadresseerde enveloppe uit 1970 - een jaar nadat hij het college verlaat - aan met zijn domicilieadres in het centrum van Antwerpen; het lijkt me dus waarschijnlijk dat hij het middelbare onderwijs in ’t Stad doorlopen of afgerond heeft. Tijdens zijn middelbare studies volgt hij de richting Latijn-wiskunde en blijkt hij een grote wiskundeknobbel te hebben. Mochten zijn ouders het voor het zeggen hebben, dan zou hij burgerlijk ingenieur worden. Maar zijn interesse en liefde voor taal sturen meneer J.S. in een andere richting.
In 1969 arriveert meneer J.S. als eerstejaarsstudent aan de Katholieke Universiteit van Leuven – een vanzelfsprekendheid; hij komt uit een katholiek nest en komt van een katholiek college – om er aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte Germaanse Filologie te studeren. Het is het jaar waarin de tweetalige universiteit zich – na de ‘Leuven Vlaams’-studentenprotesten in januari 1968 – opsplitst in de Nederlandstalige KUL en de Franstalige UCL. Meneer J.S. studeert Engels en Nederlands. Jaren later, in 2017, laat hij optekenen dat hij, als hij zijn studie over zou kunnen doen, voor Frans en Duits zou kiezen. Maar Duits heeft anno ‘69, zelfs decennia na de Tweede Wereldoorlog, nog steeds een negatieve bijklank en dat schrikt heel wat studenten af – amper tien procent van de studenten in zijn richting kiest voor Duits. Zijn liefde voor de Franse taal, literatuur en cultuur zijn naarmate de jaren van zijn leven vorderen steeds groter geworden.
Tijdens een eerste, kort telefoongesprek omschrijft Heleen meneer J.S. als een erg intelligente man met een zeer brede interesse. In het woonzorgcentrum zit hij de hele dag op zijn kamer te lezen – in boeken of op zijn laptop om op de hoogte te blijven van politiek, cultuur, literatuur, enzovoorts - en te schrijven. Ook als student is hij al in meer geïnteresseerd dan wat hem in de colleges voorgeschoteld wordt. Hij vindt het niveau van de vakken die hij in zijn opleiding krijgt ondermaats – hij mist een stevige academische basis hadden en een goede methodologische achtergrond; verder vindt hij het jammer dat de nieuwste internationale stromingen van dat moment, vooral de Franse, nauwelijks aan bod komen. Omdat het hem aan voldoende uitdagingen in de aula ontbreekt, gaat hij zelf op zoek naar meer. Het liefst zou hij verschillende studies tegelijk doorlopen hebben, bijvoorbeeld door zijn talenstudie te combineren met filosofie en economie.
Meneer J.S. is een kotstudent, zijn kot ligt in de Maria-Theresiastraat, recht tegenover de hulpgevangenis en vlak bij wat er nog over blijft van het Leuvense ‘Quartier Rouge’. Het studentikoze leven is hem niet helemaal vreemd – tussen acht en negen uur ’s avonds trekt hij naar zijn stamkroeg in de Tiensestraat om er met studiemakkers een pint te drinken en wat tv te kijken – maar het grootse deel van zijn vrije tijd besteedt hij aan studeren en aan lezen en schrijven.
Wanneer meneer J.S. in 1973 afstudeert, wordt hij assistent van zijn professor Literatuurgeschiedenis – de prof die ook mij, nog eens twintig jaar later, menig uur vermaakt heeft met causerieën over onder andere Multatuli en Couperus. Zes jaar lang is hij assistent, begeleidt hij studenten bij hun eindwerk, neemt hij examens af en geeft hij seminaries over Nederlandse letterkunde.
In 1980 gaat meneer J.S. aan de slag als bibliothecaris van de faculteitsbibliotheek Letteren en Wijsbegeerte van de universiteit van Tilburg – hij verhuist vanuit het Leuvense naar Turnhout om dichter bij zijn werk te wonen. Voor meneer J.S. is het een droomjob waarin hij zijn liefde voor literatuur en filosofie vertaalt naar een catalogus waarin elk boek waar studenten naar vragen aanwezig is. Na de uitvaartplechtigheid horen we dat de droomjob na twintig jaar als een nachtmerrie eindigt wanneer de universiteit de bibliotheek opdoekt en meneer J.S. de opdracht krijgt om de collectie te liquideren en zijn medewerkers te ontslaan.
In de loop van zijn loopbaan en leven schrijft meneer J.S. ook heel veel; voornamelijk over literatuur en literatuurgeschiedenis. Hij schrijft tientallen artikelen voor “Spiegel der Letteren”, “Dietsche Warande & Belfort”, “Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur”, “Lexicon van literaire werken”, “Onze Taal”, “Kunsttijdschrift Vlaanderen” en “Poëziekrant”. Maar hij schrijft ook over geschiedenis; bijvoorbeeld een artikel over het Italiaanse fascisme en de link met de afbeeldingen op Italiaanse postzegels, want meneer J.S. is ook een filatelist.
Het eerder genoemde alumnus-interview wordt afgenomen in Café du Parc in Oostende. Daarin wordt gezegd dat hij “uit Mechelen afkomstig” is – wellicht woonde hij daar dus ook lange tijd – en op de vraag hoe hij dan in Oostende verzeild geraakt is, antwoordt hij: “De liefde gevolgd.” Behalve voor talen en filosofie koestert meneer J.S. ook warme gevoelens voor geschiedenis, een passie die hij deelt met zijn ex-echtgenote uit de Westhoek die zich in de Eerste Wereldoorlog verdiepte. Wanneer het huwelijk spaak loopt, verhuist meneer J.S. naar een appartement in Geel en later weer naar Turnhout.
Heleen vertelt over de telefoon dat mijnheer J.S. een gescheiden man zonder kinderen is die in eerste instantie in het open woonzorgcentrum “Aan de kaai”, aan de overkant van de straat, verblijft. Daar komt hij toe in juni 2024. Later wordt hij naar de beschermde afdeling van woonzorgcentrum “De Nieuwe Kaai” overgebracht. Meneer J.S. drinkt soms iets meer dan goed voor hem is en dat zorgt wel eens voor problemen. In de beschermde afdeling kan hij geen alcohol krijgen.
Meneer J.S. is, ondanks zijn rolstoel, een heel zelfstandige, lucide en actieve man die het liefst op zichzelf en op zijn kamer is. Eten doet hij enkel ’s ochtends – zes dikke, bruine boterhammen – en ’s middags; hij weet altijd graag vooraf wat er op het menu staat, dus bezorgt Heleen hem telkens een afdruk van het weekmenu. Tafelgenoot Flor rijdt hem naar de eetzaal en terug, een praatje slaan doen de mannen zelden of nooit. Iedere namiddag is meneer J.S. ook terug te vinden in “The Lounge”, de ‘fancy’ benaming voor de cafetaria, waar hij een alcoholvrij biertje drinkt en een zakje chips verorbert. Daarna trekt hij zich terug in zijn kamer om te lezen, te schrijven of naar muziek te luisteren – zijn DAB-radiootje staat altijd afgestemd op Klara - en zien ze hem niet meer terug tot bij het volgende ontbijt.
Als je het ziekenhuisbed wegdenkt, dan ziet de kamer van meneer J.S. in het woonzorgcentrum er uit als een typische werkbibliotheek. Op zijn bureau liggen een laptop, opgestapelde documenten, schrijfgerei, allerlei notitieboekjes en schriftjes, een leesbril, rondslingerende boeken en een zwart-witte foto – ik vermoed uit de jaren ’80 - van een schijnbaar naakte jonge vrouw in een bed onder een wit geborduurd laken die een sigaret rookt. Aangezien haar foto een prominente plaats op zijn bureau krijgt, is het denkbaar een oude geliefde die hij nog een warm hart toedraagt. Boven het bureau hangt een schilderij van de Oostendse kunstenaar Roland Devolder; het is in donkere, grijs-, purper- en bruinachtige tinten geschilderd en toont – typisch voor Devolder – een aantal personages die op een bank tegen een lange muur zitten; sommige hebben een menselijk gelaat, anderen hebben een dierenkop of lijken eerder spookachtige trekken te hebben.
Naast zijn bureau staan twee manshoge boekenkasten, aan de overzijde van de kamer staat nog een kleiner boekenkastje. Ik tel ongeveer 300 boeken. Ooit is de bibliotheek van deze “grote verzamelaar” ongetwijfeld veel uitgebreider geweest; het leeuwendeel heeft hij achterlaten op het moment dat hij naar het woonzorgcentrum komt en bij een eerdere verhuis. Wat hij wel mee neemt, ligt hem nog het nauwst aan het hart: ik zie overwegend boeken met betrekking tot de antieke Oudheid, met een sterke nadruk op de geschiedenis van Rome, Romeinse filosofen en dichters. Verder ook veel Duitstalige (Kafka, Hölderlin, Schiller) en Franstalige (Perec, Bataille, poëzie uit de reeksen van de Bibliothèque de la Pleiade) literatuur, woordenboeken (Duits, Frans, Latijn, Grieks, Engels) en een paar naslagwerken.
De Nederlandstalige literatuur is er sterk ondervertegenwoordigd. Ik zie geen enkele Nederlandstalige roman staan of liggen. De Nederlandstalige poëzie is vertegenwoordigd in de vorm van de “Verzamelde gedichten” van Jos De Haes die op zijn bureau binnen handbereik liggen (De Haes is een boezemvriend en de meest geliefde dichter van meneer J.S.), een grote reclame-affiche voor Hugues C. Pernaths “Mijn tegenstem. Gedichten 1966-1973” en een prachtige, ingekaderde zwart-witte foto van Pernath – in smoking of zwart pak, wit hemd met manchetteknopen, een dikke, half opgerookte sigaar in de rechterhand en met de linkarm om de hals van een dame met kort krullend haar geslagen. Zij lijkt erg op de rokende dame in bed op die andere foto. Maar dat kan mijn verbeelding zijn.
Van de Nederlandse dichter en classicus J.H. Leopold heeft meneer J.S. een tiental zeer mooi en op kleine oplage uitgegeven biblofiele uitgaafjes in zijn boekenkast staan; zowel vertalingen van Leopold van Perzische en Griekse gedichten als eigen gedichten.
Dat meneer J.S. van het betere en mooiere bibliofiele boek houdt, wordt ook duidelijk wanneer ik een grote enveloppe met tientallen prospectussen van de bibliofiele Carbolineum Pers in zijn boekenkast terugvindt.
“Dat het zo jammer is” zegt Heleen nadat ik alles opgetekend heb wat ik wil optekenen in de bibliotheek...euh...kamer van meneer J.S., “dat al die mooie boeken nu weg moeten”. Ik moet aan die andere bibliofiel – Boudewijn Büch – denken en wat hij daar over schreef: “Wie werkelijk kennis heeft, dus een gezond verstand heeft, doet niemand kwaad. Die koopt mooie boeken, die richt voor zichzelf een mooie bibliotheek in en die wacht vervolgens, heel rustig, op de dood die onvermijdelijk volgen zal. En dan begint alles weer opnieuw. De boeken worden verkocht, de nieuwe eigenaren worden bibliofielen, richten smaakvolle bibliotheken in, et cetera. Het is een verhaal zonder einde. En daarom zo prachtig. Ik noem het gemakshalve maar geluk.”
Het miezert wanneer Corinne en ik elkaar bij de ingang van begraafplaats Nazareth treffen. Terwijl we op de wagen van het Laatste-Reis-Bureau wachten en een praatje slaan, stappen er op de parking vier mensen uit een auto. Een gezicht komt me bekend voor; mijn povere geheugen kan er niet onmiddellijk een naam op kleven, maar ik ken het uit een literaire en bibliofiele context dus ik ben er bijna zeker van dat zij hier ook zijn voor meneer J.S. Wanneer ik hen vraag of mijn vermoeden juist is, antwoorden ze bevestigend. Professor Dirk De Geest werd, via via, op de hoogte gebracht van het overlijden van meneer J.S. en contacteerde op zijn beurt nog een aantal oude bekenden van meneer J.S. In het gezelschap van een collega uit de Onderzoeksgroep Nederlandse Letterkunde, Johan De Haes (zoon van de dichter-boezemvriend en zelf ook bevriend met meneer J.S.) en diens echtgenote komt hij mee afscheid nemen. Ook Heleen en een collega van het woonzorgcentrum zijn op het appel.
Nadat iedereen plaats heeft genomen rond de sokkel met de urne van meneer J.S. richt ik het woord tot de aanwezigen. Ik vat kort samen wat ik de voorbije dagen over meneer J.S. te weten ben gekomen en spreek uit dat ik blij ben dat er toch nog enkele oude bekenden van meneer J.S. een laatste groet komen brengen.
Daarna leest Corinne haar gedicht voor.
Het lezen, een verzameling.
Op de vraag wie u was vind ik
tussen de taal
het papier, een warme jas.
In het bewaren
kwamen gaten;
dat wat achtergelaten,
dat wat verloren
en die gingen weg.
Altijd was er
de geneugte van
een schrijftafel,
een zitplaats bij de boekenkast,
steeds weer beginnen,
het onder woorden zijn.
Er was licht, niet veel,
maar u kon erin leven.
Wanneer het gedicht gelezen is, iedereen meneer J.S. nog een laatste keer heeft gegroet en zijn assen uitgestrooid zijn in de groene omgeving van de strooiweide - "hij haatte natuur," glimlacht Dirk - praten we nog even na.
Opnieuw wordt bevestigd dat meneer J.S. een echte 'Einzelgänger' was. Vrienden als Dirk en Johan, kwamen nog bij hem op bezoek, zowel bij hem thuis als in het woonzorgcentrum, maar dat vroeg enig doorzettingsvermogen van hun kant - meneer J.S. hield de boot steeds vaker af.
Ik kom nog te weten dat de collectie van meneer J.S. vijf- à zesduizend titels groot geweest moest zijn, dat hij die collectie inventariseerde in een handgeschreven catalogus van honderden pagina's en dat de collectie, na de verhuis uit Oostende, opgeslagen werd in een depot. We spreken de hoop uit dat zij - indien niet in haar totaliteit, dan toch de zeldzame titels die zelfs in de Erfgoedbibliotheek ontbreken - ergens bij een gepaste instelling of in "andere smaakvolle bibliotheken" onderdak mag vinden.